Syrië in chaos

Door: Franklin ter Horst (Aangemaakt: 30 januari 2012) (Laatste bewerking: 26 december 2014)

Wat begon als een gewone demonstratie op 15 maart 2011 tegen het bewind van dictator Bashar al-Assad in Syrië, is uitgegroeid tot een onvoorstelbare slachtpartij door zowel het Syrische leger als door allerlei (buitenlandse) moslimbendes. De wereld beschuldigt het bewind van Assad van alle ellende in het land maar dat is maar gedeeltelijk waar. Alle partijen maken zich schuldig aan oorlogsmisdaden. De misdaden die de strijdende partijen onder de Syrische bevolking aanrichten is huiveringwekkend. Wie telt de doden nog? Tot en met 30 november 2014 zijn er 202.354 mensen om het leven gekomen waarvan maar liefst 63.074 burgers waarvan 10.377 kinderenAan de kant van het Syrische regeringsleger zijn 44.237 militairen om het leven gekomen en 28.974 groepen die aan de kant van Assad staan, waaronder 624 leden van de Libanese terreurbeweging Hezbollah. Aan de kant van de jihadisten vielen in totaal 59.948 doden waaronder leden van Al-Qaeda, de Islamitische Staat van Irak en de Levant (IS(IS) en het met al-Qaeda gelieerde al-Nusra Front. Een andere groep van bijna 3733 mensen werd als gestorven geregistreerd, maar hun identiteit is onbekend gebleven. Klik hier om te zien wat er gebeurt met terroristen die door het Syrische leger in een hinderlaag worden gelokt.

ISIS groeit in Syrië in een recordtempo. In de maand juli 2014 hebben zich tenminste 6000 nieuwe jihadisten bij ISIS aangesloten. Dat is de grootste uitbreiding tot nu toe in zo’n korte periode, zegt het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten op 19 augustus.Iets meer dan 1000 rekruten komen uit het buitenland, de rest komt volgens het Observatorium uit Syrië. Voor de recente groei bestond ISIS in Syrië naar schatting uit zo’n 50.000 moslimjihadisten.

De slachters van Al Nusra.

Mensen worden op een rij gezet en de mitrailleur erover, mensen worden van daken en bruggen gesmeten. Lichamen van gedode kinderen worden op film gezet en aan de horden journalisten aangeboden. Kinderen vanaf 1 jaar oud worden gemarteld en geëxecuteerd. Volgens het rapport kwamen de meeste kinderen (2223) om in Aleppo. Moslims tegen moslims. Moslims tegen christenen. Moslims tegen Alawieten. Moslims te Koerden en ga zo maar door. Het gebruik van barbaars geweld blijkt een zeer gewaardeerde eigenschap onder de volgelingen van de islam en daarom wordt er naar hartenlust verkracht, geplunderd, vernietigd en gemoord. Ze schamen zich nergens meer voor maar zijn eerder trots op hun misselijk makende daden.Het Syrische leger kan er trouwens ook wat van. Klik hier.

In een lang interview met de Wall Street Journal dat op 31 januari 2011 werd gepubliceerd, verklaarde de Syrische dictator Bashar al-Assad dat de Arabische opstand Syrië niet zou bereiken. Hij zei goed op de hoogte te zijn van wat er onder zijn volk leefde. Op 27 maart van dat jaar noemde de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton Assad nog ‘een hervormer’. Sindsdien wordt Assad geconfronteerd met een door het Westen georkestreerde aanval op zijn positie. Uit alle aspecten van de Syrische crisis blijkt overduidelijk dat het gaat om een buitenlandse samenzwering. De wereld heeft kunnen zien hoe de doelbewust door het Witte Huis veroorzaakte Arabische Lente diverse moslimlanden in chaos heeft gestort. Volgens de Amerikaanse generaal  Wesley Clark is de beslissing om Assad van het wereldtoneel te verwijderen al kort na de aanslag op de Twin Towers in 2001 genomen. De samenzweerders achter de schermen waren dus al lang bezig het onkruid te zaaien dat nu weelderig opschiet in Syrië.

Tot voor een paar jaar geleden noemden John Kerry en een kleine groep VS-senators waaronder de voornmalige Amerikaanse minister van Defensie Chuck Hagel en de voormalige minister van BZ Hillary Clinton, Bashar al Assad echter nog een edelmoedige, constructieve leider een reformer en een man van zijn woord.  Kerry vloog regelmatig naar Damascus, waar hij sprak en dineerde met Assad en zijn vrouw in het Naranj restaurant in Damascus. Ook maakten ze samen af en toe een ritje met de motor. Bij terugkeer in Washington noemde hij hij Assad  “mijn grote vriend”.In September 2009, noemde Kerry Syrië “een belangrijke speler in het brengen van vrede en stabiliteit in de regio” terwijl Assad zich in de praktijk bezig hield met haat-educatie tegen Israël, het onderdukken van de oppostie en steun aan de Libanese terreurbeweging Hezbollah.WikiLeaks maakte in februari 2010 bekend dat Kerry tegen de kamelendrijvers in Qatar had gezegd dat de Golan Hoogvlakte terug moet naar Syrië en dat de Palestijnse hoofdstad in Oost-Jeruzalem gevestigd moet worden.

Iedere leek begint te beseffen dat buitenlandse machten in Syrië een vreselijk spel aan het spelen zijn waarbij de burgers weer het slachtoffer zijn. Reva Bhalla, vicepresident van de bekende strategische inlichtingenorganisatie STRATFOR, schreef in december 2011 een email over een bijeenkomst in het Pentagon met een onder andere een Amerikaanse kolonel en twee Britse en Franse afgezanten. Wat blijkt: toen al waren er Amerikaanse special forces actief in Syrië om de rebellen niet alleen te trainen, maar ook bij te staan in hun guerrilla- en moordcampagnes.

(*)Bewijzen hiervoor blijken ook uit gesprekken met rechtstreeks betrokkenen, die te zien zijn in een documentaire van de bekende Amerikaanse documentaireserie “Frontline” waaruit blijkt dat het Amerikaanse leger op een geheim steunpunt in Qatar rebellen opleid, in het kader van een “pilotproject”, om Syrische regeringstroepen en hun voertuigen te overvallen en “soldaten die een hinderlaag overleefd hebben definitief uit de weg te ruimen.” Deze documentaire, die op 28 mei 2014 door de televisiezender PBS werd uitgezonden, levert een unieke kijk op hoe de Obama-adminstratie de gewapende opstand tegen de Syrische president Bashar al-Assad ondersteunt.De jihadisten vertellen hoe ze van wapens en munitie worden voorzien en daarna voor een verdere opleiding naar Qatar worden gebracht in een steunpunt vlakbij de grens met Saoedi-Arabië. In Qatar bevinden zich meerdere Amerikaanse steunpunten. Hier werden ze drie weken lang getraind in het gebruik van moderne wapens en speciale gevechtstechnieken, ze kregen echter ook uniformen en laarzen. “Ze leerden ons hinderlagen te leggen voor voertuigen van het regime of andere tegenstanders en het oprichten van straatblokkades”, vertelde een gemaskerde strijder, die slechts met “Hussein” werd aangesproken, aan de journalist.(*) Klik hier voor de bron waaruit deze informatie afkomstig is. .

Amerikaanse militairen houden zich ook in Saoedi-Arabië bezig met het trainen van jihadisten. Het traningsprogramma is gericht op het vechten in bewoonde gebieden. Ondanks de hulp van Washington dreigen onder meer Britse jihadisten de Verenigde Staten met aanslagen.

De ogen van “The prince of War” Barack Hoessein Obama zijn gericht op Assad en niet op de moordende en verkrachtende  jihadisten. Die blijken een vrijbrief te hebben hun gruwelijke misdaden ongestoord te mogen uitvoeren. In een rapport van de VN wordt een beeld van algemene wetteloosheid geschetst waarbij de daders zich onkwetsbaar voelen. Overal waar Washington zich met de interne aangelegenheden van land bemoeit, ontstaat chaos, moord en doodslag. Hoeveel mensenlevens daarmee gemoeid zijn, doet niet ter zake. Dood en vernietiging van hele dorpen en woonwijken worden veroorzaakt door de samenzweerders die in Syrië hun eigen belangen willen vestigen. Voor hen heeft het leven van het Syrische volk en de soevereiniteit van dit land geen enkele waarde. Het Witte Huis heeft zelfs besloten om de Syrische terroristen te voorzien van zware antitankwapens van het type BGM-71. Volgens Israëlische defensiespecialisten kan dit wapen de machtsbalans op het strijdtoneel radicaal veranderen.

De wereldleiders willen ons doen geloven dat het in Syrië gaat om een spontane opstand van een sinds lang onderdrukt volk maar in werkelijkheid is er nooit sprake geweest van een ‘volksopstand’ noch van een ‘burgeroorlog’ vanuit de bevolking tegen het bewind van dictator Assad. Er heerste onder de bevolking een grote veiligheid, een oosterse gastvrijheid, een harmonieus samenleven en een goedkoop en vrij welvarend leven. Niet dat Assad zelf een brave broeder is, verre van dat, maar regering, volk en land blijken vanaf het begin slachtoffer van een lang voorbereide, goed geplande samenzwering van buiten af om Syrië te ontwrichten en chaos te creëren. EenSyrische aartsbisschop vertelt in een interview dat Syrië kapot wordt gemaakt door ontelbare terroristische milities van buiten Syrië. De bisschop heeft zelfs Barack Hussein Obama een brief geschreven waarin hij de situatie uitlegt, maar hij kreeg natuurlijk geen antwoord terug.

Wat hier met steun van het Westen gebeurt, is niets anders een misdaad tegen de menselijkheid. Altijd met dezelfde leugens en dezelfde methoden: om de bevolking zogenaamd naar de democratie en de vrijheid te brengen! Net als zijn bemoeienis bij het verwijderen van Moeammer Gadhaffi in Libië, behoort Obama tot de aanstichters van de crisis in Syrië tegen het bewind van Bashar -al Assad. Dat hij daarbij steun ondervindt van EuroBabel en de grootste financiers van het wereldwijde terrorisme Saoedi-Arabië en Qatar, is al evenmin een verrassing. De samenlevingen van deze laatste genoemde landen zijn een regelrechte schande voor de mensheid. Het wahhabitisme van Saoedi-Arabië en Qatar heeft alles weg van een criminele sekte, die machtig werd dank zij de olie en de steun van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Hun doelstelling is de hele wereld om te vormen tot een radicale islamdictatuur. De voormalige kamelendrijvers in Qatar stonden mede achter de opstand in Tunesië, Libië, de terreur van Hamas in Gaza tegen Israël en nu tegen het bewind van Assad. Prinses Sheikha Hind bin Hamad bin Khalifa van Qatar schrijft op Twitter dat de steun van haar land aan de jihadisten in Syrië een regelrechte schande is in de geschiedenis van Qatar.

Sommigen in het Westen spreken van gematigde ‘Syrische rebellen’ maar dat is uitsluitend geschikt voor een gehoor van onbenullen. De oorlog in Syrië is een religieuze oorlog. Het is niet een oorlog die gaat over democratie en vrijheid. Het is een conflict tussen twee totalitaire systemen, de ene partij is een mix tussen Islam en Socialisme, en de ander uitsluitend gebaseerd op de Islam. Beide zijn brutaal en gewetenloos tegen iedereen die niet tot hen behoort. Beide hebben hun doodskaders en zijn tot op het bot corrupt. Er is sprake van door de duivel gemotiveerde barbaren die zich mogen verheugen op steun van Washington. Het is ook een etnisch conflict waarbij zowel Iran als de Arabische wereld en Turkije betrokken is. Er zijn in deze regio, met uitzondering van Israël, geen gematigden te vinden. Er zijn trouwens sowieso geen gematigden te vinden in een religieuze oorlog. De zogenaamde Syrische oppositie (lees Jihadisten) bestaat voornamelijk uit buitenlanders die met goedkeuring van Washington en Brussel proberen de macht in Syrië over te nemen.

Ze komen uit Rusland, Pakistan, Afghanistan (Taliban), Somalië, Europa waaronder Nederland (150?), België, Groot-Brittannië, Denemarken, Finland, Spanje, Zweden, Albanië, Oostenrijk, Bulgarije, Kosovo, Duitsland en diverse Arabische landen waaronder Saoedi-Arabië. Velen van hen zijn terug te vinden bij de aan Al-Qaeda gelieerde Jabhat al-Nusra terreurbeweging. Deze koppensnellers ontvangen hun bevelen rechtstreeks van Al-Qaeda leider Al-Zuwahiri. Een andere groep is ISIS (Islamitische Staat van Irak en de Levant), dat naast enkele strategische districten in west Irak (waaronder de steden Fallujah en Ramadi) grote delen van oostelijk Syrië heeft bezet, inclusief enkele olievelden. Een andere groep is Ahram al Sham (Islamitische Beweging van de Vrije Mensen van de Levant) (Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL). Deze minder bekende terreurgroep heeft zo’n 15.000 jihadisten van Al-Qaeda en diverse radicale Salafistische bewegingen, en staat aan het hoofd van het nieuwe Islamitische Front dat bestaat uit zeven anti-Assadgroepen. Ahram al Sham wordt gefinancierd door Saudi Arabië, en wil net als Al-Qaeda Israël vernietigen. De leider van de groep, Abu Khalid al-Syria, gaf begin dit jaar toe dat hij lid is van Al-Qaeda. En dan is er nog Jaish al-Islam (Het Leger van Islam) is de grootste terreurgroep in de regio Damascus, en wordt eveneens gesteund en gefinancierd door Saudi Arabië. De Saudische inlichtingendienst heeft Pakistaanse militaire instructeurs naar Syrië gestuurd, om de strijders van Jaish al-Islam te trainen.

Op 19 februari 2014 werd het Syrische meisje Fatoum Al-Jassem, geëxecuteerd door steniging tot de dood, door een bende bloeddorstige barbaren van IS(IS), nadat zij eerder was veroordeeld door een volksrechtbank die oordeelde dat het hebben van een Facebook account, ‘Zina’ was ofte immoreel gedrag.

De koppensnellers en verkrachters van de  (Islamic State of Iraq and the Levant (IS(IS)) vermoorden op 1 juni 2014 een 102 jaar oude man compleet met zijn hele familie. Sommige leden van de familie verbranden levend terwijl de oude man in zijn slaap werd doodgeschoten. De andere familielden die werden vermoord waren zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn achter kleindochter en haar moeder. Alle slachtoffers waren Alawiet, leden van de dezelfde groep waar ook de Syrische dictator Assad deel van uitmaakt. ISIL is de meest barbaarse groep die tegen het bewind van Assad vecht. In juli 2012 riep moslimklerk Sheikh ‘Abdallah Khaled Al-’Adm (aka Abu ‘Ubayda), op de Soenitische moslims in Syrië op “Alawieten te vermoorden waar je ze tegen komt en geen enkel mededogen met ze te te hebben”. Volgens de Skeikh zijn de Alawieten nog grotere ongelovigen dan de christenen en Joden.

In Nederland hoor je nog wel eens het verhaal dat de Nederlandse jihadisten naar Syrië vertrekken om daar humanitair te verrichten. Volledige onzin natuurlijk. De leiders van de verschillende terreurgroepen kunnen geen mietjes gebruiken.De Telegraaf meldde op zaterdag 26 oktober 2013 dat ook de Nederlandse jihadisten betrokken zijn bij onthoofdingen, standrechtelijke executies van gevangenen en andere gruwelijkheden. „Wij hebben stevige aanwijzingen, zoals verklaringen, beelden en verhalen, dat ook Hollandse jihadisten erbij betrokken zijn, erbij aanwezig zijn. Ze hinten er ook naar, gaan er prat op. Hun eigen verklaringen daarover zijn beslist geen grootspraak. Polderjihadisten staan midden in de gruwelijkheden. Op grote schaal”, aldus inlichtingenbronnen.

Syrië en Irak zijn voor deze hellehonden het meest prominente barbaarse slagveld in de wereld geworden, een soort speeltuin waar naar hartenlust gemoord en verkracht kan worden. Het Duitse blad Der Spiegel meldde op 20 oktober 2013, dat er 200 Duitse Takfiri jihadisten actief zijn in het noorden van Syrië. Het blad spreekt van het “Duitse kamp”. In dit kamp worden jihadisten getraind en klaar gemaakt voor hun moordende missie. Het merendeel van hen komt uit de Duitse deelstaat Noord Rijn Westfalen.

Het Westen is dit soort geboefte aan het bestrijden in Afghanistan, Pakistan, Yemen, Somalië en nog een hele serie andere landen, maar in Syrië worden ze juist gesteund. Bashar al Assad op zijn beurt weet zich gesteund door Rusland, China, Iran (troepen van de Revolutionaire Garde)  verschillende ‘Palestijnse’ terreurgroepen en de Libanese terreurbeweging Hellsballah. Er zijn meer dan 60.000 Iraniërs die op dit moment vechten aan de zijde van Assad. Daarnaast hebben duizenden vrijwilligers uit Rusland, Wit-Rusland, Moldavië en Oekraïne zich gemeld om Assad te helpen. Volgens de radiozender Voice of Russia zou het gaan om een vrijwilligerskorps ter grootte van 50.000 man. De uit Oekraïne afkomstige inlichtingenveteraan Sergey Razumovsky is de initiatiefnemer van de vorming van dit vrijwilligerskorps.

Salman Shaikh, directeur van het director Doha Center of the Brookings Institution denktank zegt dat er tevens 1500 tot 2000 terroristen uit Irak aan de gevechten deelnemen. De middeleeuwse Ayatollahs uit Iran investeren honderden miljoenen dollars om het bewind van dictator Assad overeind te houden.

De rol van het Syrische leger.

Vanaf het begin van de vijandigheden heeft het Syrische leger de opdracht gekregen hard op te treden tegen de opstandelingen. Eerst zijn ersluipschutters ingezet en vervolgens tanks, helikopters en vliegtuigen. Op een video die op 4 juni 2011 op YouTube is geplaatst, zijn schokkende beelden te zien hoe Syrische soldaten op het dak van de Karak moskee in de Syrische stad Daraa een slachting onder burgers aanrichten.Waarschuwing: erg expliciete beelden, niet geschikt voor gevoelige kijkers!!! Een dozijn burgers die demonstreerden tegen het regime werden door de soldaten als beesten afgemaakt. Om hun oorlogsmisdaad te verduisteren leggen ze munitie en wapens tussen de lijken om aldus te verhullen dat de burgers ongewapend waren en zich helemaal niet konden verzetten. Lachend lopen de soldaten tussen de lijken en roepen dingen zoals ‘vuile honden’ en ‘smeerlappen’ en meer van dat soort kreten.

Een ander voorbeeld is het verhaal over de dood van ca. 120 man Syrische veiligheidstroepen die in Jisr Al-Shughour zouden zijn vermoord door de ‘opstandelingen’. Syriërs die met de oppositie in verbinding staan of zijn gevlucht naar Turkije, meldden echter een andere versie van het verhaal. Bewoners stellen dat de militairen door collega’s zijn geëxecuteerd, omdat ze weigerden op ongewapende tegenstanders van het regime te schieten. Ook is er grote opschudding ontstaan over de 13-jarige jongen Hamza al-Khatib, wiens totaal verminkte lichaam begin juni 2011 aan zijn ouders is terugbezorgd. Deze jongen is het symbool geworden voor de barbarij van Assad en zijn volgelingen. Maar de vraag is of de jongen werkelijk door volgelingen van Assad is vermoord of door de jihadisten, is niet echt duidelijk. Het is in Syrië namelijk lang niet altijd even duidelijk wie verantwoordelijk is voor dit soort slachtpartijen. De verschillende strijdende partijen geven elkaar de schuld.

De beelden zijn via de Arabische televisiezender Al-Jazeera en YouTube de hele wereld rondgegaan. Op de beelden is te zien dat het gezicht en de benen van de jongen bloeduitstortingen vertonen en diverse schotwonden in de armen, buik en de borstkas, verbrande voetjes en sporen van marteling met een kabel en elektrische schokken. Ook is zijn nek gebroken en zijn penis afgesneden.

Volgens de zogenaamde Syrische oppositie (jihadisten) is Hamza door Assad’s veiligheidstroepen doodgemarteld. De jongen verdween tijdens een betoging op 29 april 2011 na op een dak met duiven te hebben gespeeld. “Opstanden hebben symbolen nodig”, reageert de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. “Dergelijke individuele gevallen zijn symptomatisch voor honderden andere gevallen waarover nooit wordt bericht.” Ook een 15 jarige vriend van Hamza is op gruwelijke wijze vermoord. Wie er ook verantwoordelijk is voor deze moordpartijen, het zijn barbaren die een jongetje van 13 jaar zo schandalig martelen!

Barbaren plegen gruwelijkheden

De meest in het oog springende groep belanghebbenden in het conflict met Syrië zijn de Jihadisten. Beelden op You Tube tonen de meest onwaarschijnlijke barbaarsheden van de takfiristen, jihadisten, criminelen, psychopaten, gedrogeerde beulen, kindermoordenaars en verkrachters. Er bestaan naar schatting zo’n 1200 kleinere en grotere terreurgroepen, waarvan een belangrijk deel afkomstig is uit het buitenland.  Deze figuren kunnen op de volledige steun van Obama rekenen, is het niet met geld, dan wel met wapens. Niet rechtstreeks natuurlijk maar via een aantal omwegen zoals Saoedi-Arabië, Qatar en Turkije, om zelf uit beeld te blijven. Zo verzorgen de voormalige kamelendrijvers uit Qatar voor een belangrijk deel de financiën van de internationale strijd tegen Syrië. Het land heeft er al drie miljard dollar in gestoken. De fameuze Jeanine Pirro toont op 12 september 2013 op FoxNews voor heel Amerika overtuigend aan hoe Obama Al Qaida aan het helpen is om Syrië uit te moorden en te verwoesten.  Sindsdien spreken ze in Amerika van de “jihadisten van Obama”.

De bevolking van Syrië wordt geconfronteerd met de gruwelijkste vormen van barbaarsheid. Er wordt verkracht, gemoord en geplunderd. Huurlingen en gewapende bendes gaan als beesten te keer. Huizen worden platgebrand, oogsten vernietigd, mensen in koelen bloede vermoord of levend begraven en bezittingen geroofd. De verwoestingen die de jihadisten aanrichten zijn met geen pen te beschrijven. Hele dorpen en delen van steden zijn veranderd in puinhopen en de Syrische samenleving veranderd in een nachtmerrie. Het lijden van het Syrische volk is onbeschrijfelijk. Het is maar dat u het weet. De internationaal gerespecteerde Duke professor Bruce Lawrence zegt dat er geen connectie bestaat tussen de Islam en terrorisme.

Hoe gruwelijk de Jihadisten in Syrië te keer gaan mag blijken uit een gebeurtenis in het oostelijk deel van Syrië aan de grens met Irak. Hier lieten de door Obama gesteunde leden van de  “Free Syrian Army” een klein meisje toekijken hoe haar vader en moeder werden vermoord omdat zij behoorden tot de Shia moslimbeweging. Vervolgens sneden ze het hart uit het meisje. Waarschuwing: gruwelijke beelden. Wat hier te zien is is niet alleen het ware gezicht van de islam, het gaat veel verder dan dat. Het bloed van dit kleine meisje kleeft namelijk ook aan de handen van allen deze bendes met geld en wapens ondersteunen. Op maandag 16 december 2013 vielen jihadisten van het al-Nusra Front een bakkerij in de plaats Adra binnen en verbranden de medewerkers vervolgens in hun eigen ovens.

Klik hier voor “Christenvervolging in Syrië” 

Er zijn ruim 5 miljoen vluchtelingen in Syrië zelf en circa twee miljoen het land ontvlucht. De Verenigde Naties berichtten op 16 juli 2013 dat het conflict in Syrië de ergste vluchtelingencrisis is in twintig jaar sinds de crisis in Rwanda. Elke maand worden er 5.000 mensen gedood en elke dag komen er 6.000 vluchtelingen bij. Syrië is voor een groot deel ontwricht, de infrastructuur met vele scholen (minstens 3000) en ziekenhuizen zijn verwoest, duizenden fabrieken zijn geplunderd en tientallen bakkerijen vernield. De voedselprijzen zijn verveelvoudigd, er is gebrek aan brandstof, op vele plaatsen is er geen elektriciteit en zelfs geen water. Het leven in bijvoorbeeld Aleppo – het economische hart van Syrië – is volledig ontmanteld, geplunderd en verwoest. 1300 fabrieken zijn verwoest waardoor 130.000 gezinnen volledig zonder inkomen zijn komen te zitten. Dokters zijn vertrokken en durven niet terug te keren. Apotheken zijn leeggeroofd en verwoest. Praktisch alle levensaders zijn afgesneden, welbewust vernield. In vele families is iemand gekidnapt, vermoord of omgekomen. Duizenden gezinnen voor altijd gebroken. En de georganiseerde, door het westen gesteunde ontwrichting gaat dagelijks gewoon door en de manier waarop de internationale media over dit conflict rapporteerd is een mengsel van fantasie en brutale oorlogspropaganda zonder enig besef van de werkelijkheid.

Westerse politici, zenders, kranten en nieuwssites schilderen de moordende moslimbendes af als vrijheidslievende democratische activisten die de eerzame slachtoffers zijn van een gruwelbewind. Een groot deel van dit boeventuig is afkomstig uit diverse landen. Ze hebben meegeholpen met het omverwerpen van het bewind van Gadhaffi en zijn vervolgens naar Syrië overgevlogen om daar hun moordend werk voort te zetten. Hier maken ze zich opnieuw schuldig aan verkrachtingen en gruwelijke moorden en dat mag allemaal van het westen. Verschillende soennitische moslimfundamentalistische geestelijken hebben in een fatwa hun goedkeuring uitgesproken voor de verkrachting van Syrische vrouwen en meisjes door de jihadisten. Volgens de mensenrechtenorganisatie ‘Women under siege’ zijn hierdoor al tienduizend jonge vrouwen verkracht. Op basis van een analyse van ooggetuigenverslagen gaat het om vrouwen en meisjes in de leeftijd tussen 7 en 46, 18% van de vrouwen overlijdt of wordt vermoord om als getuige te verdwijnen. Het gaat hier om het massaal plegen van oorlogsmisdaden.

In verschillende andere Arabische landen waaronder Saoedi-Arabië en Qatar, worden meisjes opgeroepen zich naar het strijdtoneel te begeven om de terroristen sexueel te verwennen. Terwijl over het algemeen wordt beweerd dat “sex jihad” een leugen is, verteld de praktijk een ander verhaal. Zo is er het verhaal wat een 21 jarig Tunesisch meisje overkomen is in Syrië: ‘Ze beloofden mij het paradijs, en daarom gaf ik mijzelf aan 152 mannen.’ Het was juni 2012 dat zij met haar man Tunesië verliet om zich vervolgens via Turkije naar het strijdtoneel in Syrië te begeven.  Toen zij op de plaats van bestemming arriveerden, dwong haar man haar een niqab te dragen en legde haar vervolgens uit wat jihad eigenlijk betekend. Hij scheidde van haar zodat zij onmiddelijk met een ander kon trouwen. De gelukkige was Abou Ayoub één van de leiders van de tereurbeweging Jabhat al Nusra, van wie zij ook weer scheidde om vervolgens een andere jihadist te trouwen en vervolgens een volgende en een volgende….in totaal had zij 152 echtgenotes. Een jihadette heeft namelijk iedere week recht op 5 nieuwe echtgenotes. Soms duurt zo’n ‘huwelijk’slechts een aantal uren.

In deze 15 minuten durende video vertellen vrouwen uit verschillende landen over hun ervaringen met betrekking tot de sex jihad in Syria, vertaald vanuit het Arabisch in Engels.

Sex jihad

De jihadisten raken natuurlijk sexueel gefrusteerd in hun kampen, verliezen elke moraal en beginnen zich minder dan beesten te gedragen. Het moorden alleen bevredigd ze onvoldoende. Om ze toch gemotiveerd te houden worden vrouwen opgeroepen zich te melden en hun lichamen ter beschikking te stellen zodat ze de jihad met frisse moed voort kunnen zetten. Net als de barbaarse vervolging van christenen in Syrië, is ook sex jihad nauwelijks een onderwerp in de Westerse media. De oproep om in Syrië prostitutie te komen bedrijven in naam van de godsdienst als aanmoediging voor de terroristen, is een schande.

Wat deze wereldwijd geronselde jihadisten in Syrië aanrichten gaat het menselijk bevattingsvermogen te boven. De misdaden die ze onder de Syrische bevolking aanrichten is huiveringwekkend.

Straatjustitie op z’n Arabisch. Jihadisten executeren gevangen politiemannen zonder enige vorm van proces.

Koelbloedige afrekeningen zijn aan de orde van de dag. Hoe meer bloed er vloeit hoe luider de overwinningskreten. De Islam heeft zich in haar geschiedenis zelden gekenmerkt door het winnen van de harten van mensen.

De praktijk in Syrië laat zien dat er geen greintje menselijkheid of respect voor het menselijk leven meer te vinden is. Het moorden en verkrachten is onderdeel van hun dagelijks leven geworden. De ene na de andere horrorfilm verschijnt op You Tube waarin mensen onder luid gejuich worden onthoofd en dat allemaal om hun god te behagen. In een op 12 mei 2013 op YouTube gezette video is een lid van de Faroek beweging te zien die het hart van de soldaat uitsnijdt en er zijn tanden inzet en vervolgens zegt: “Ik zweer voor Allah dat wij uw harten en levers zullen opeten, jullie soldaten van Bashar de hond.” Ondertussen schreeuwen zijn aanhangers op de achtergrond hoe machtig en groot hun god is. Over dit soort gruweldaden hoort u over het algemeen weinig via de reguliere media want de plunderende, moordende en kannibalistische vrienden van het Westen mogen vooral niet van hun voetstuk vallen. Het behoort allemaal tot de firma list en bedrog.

In Al Midan, een buitenwijk in het zuiden Damascus, zegt de uit Afghanistan afkomstige terrorist wat er ná Assad zal gebeuren: “Wij zullen een respectvolle samenleving opbouwen geheel volgens Mohammeds opdracht.” “Wij zullen niet-moslims vriendelijk behandelen, maar er staat ons nog een grote strijd te wachten tegen de Joden”. Deze bedreiging komt niet alleen van de buitenlandse terroristen, maar eveneens van de kant van figuren die volgens de westerse leiders Assad moeten opvolgen.

Vooral de islamitische terreurgroep ‘Islamitische Staat in Irak en de Levant’ heeft zich ten doel gesteld “christenen in Syrië uit te roeien”, aldus de Duitse tak van Open Doors.Het aantal aanvallen op individuele gelovigen en op plaatsen die in meerderheid christelijk zijn, groeit, meldt de groep. De Syrisch-orthodoxe metropoliet van Homs en Hama, aartsbisschop Silvanus Petros Al-nehmeh, heeft volgens Open Doors gezegd: “Wat momenteel gebeurt, zijn de ergste misdaden tegenover christenen die wij hier tot nu toe meegemaakt hebben.”

Gifgasaanval op Ghouta

Op dinsdag 10 september was de wereld er getuige van dat Barack Hoessein OBOMba, zijn aanvalsplannen op Syrië voorlopig moet uitstellen. De Syrische dictator Bashar al-Assad heeft zich bereid verklaard zijn chemische wapenarsenaal te ontmantelen. Het begon allemaal met de slip op de tong van de minister van Buitenlandse zaken John Kerry die zei dat Assad een aanval zou kunnen voorkomen door toezicht op zijn chemische wapenarsenaal toe te staan. Binnen een oogwenk kwamen de Russische minister van BZ Lavrov en zijn Syrische ambtsgenoot Muallem met het antwoord akkoord te gaan met het voorstel. Poetin lacht in zijn vuistje en gooit nog wat extra olie op het vuur door in een brief op de opiniepagina van de New York Times het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten  aan te vallen. Poetin noemt het verontrustend dat militair ingrijpen door de Verenigde Staten in binnenlandse conflicten in andere landen gemeengoed lijkt te worden. Hij zegt te betwijfelen of zulke interventies gunstig zijn voor de langetermijnbelangen van de VS. Miljoenen mensen in de wereld zien de VS niet meer als een modeldemocratie, maar als een land dat zich verlaat op brute kracht, aldus Poetin.

Obama was juist druk doende de wereld ervan te overtuigen dat Assad gestraft moet worden voor de gifgasaanval in Ghouta, een buitendistrict van de Syrische hoofdstad Damascus. Overtuigende bewijzen dat Assad voor deze aanval verantwoordelijk is, zijn echter niet door hem geleverd. De zogenaamde “ondubbelzinnige bewijzen” zijn totaal ongeloofwaardig. Britse experts zeggen dat niets er op wijst dat Syrië voor de gifgasaanval verantwoordelijk is. Alles wijst er op dat het niet door het leger gebeurde maar door de jihadisten om daarmee een aanval van Amerika te kunnen uitlokken. Volgens Washington zijn deze figuren niet in staat tot het plegen van een dergelijke aanslag. ‘De toestellen waarmee de gifgasraketten zijn afgevuurd, zijn onmiskenbaar van het Syrische leger’. Ze vergeten er echter bij te vermelden dat juist deze toestellen door de jihadisten zijn buitgemaakt op de legerbasis van het 46ste Syrische regiment nabij Aleppo. In deze video is te zien hoe jihadisten gasmaskers dragen terwijl ze granaten op Damascus afschieten.

Nog voor de onderzoekscommissie van de VN op de betrokken locatie haar werk kon doen, riep Obama al dat Assad gestraft moest worden. Een jaar geleden zei hij dat wanneer Syrië chemische wapens zou gaan gebruiken tegen de eigen bevolking, daarmee een rode lijn zou worden overschreden die door hem niet getolereerd zou worden. Om zijn woorden kracht bij te zetten zei hij dat er bij de aanval in Ghouta, minstens 1.429 doden zijn gevallen waaronder meer dan 400 kinderen. Volgens de BBC ligt het werkelijke dodental echter tussen de 281 en 355. Uitermate vreemd is dat Kerry een verzoek bij de VN heeft ingediend om een onderzoek van VN-inspecteurs af te gelasten naar de gifgasaanval in Ghouta. Dit verzoek is echter door de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-Moon afgewezen.

Een brief van een groep inlichtingenexperts aan Obama, dat Assad niet schuldig is, is door hem klakkeloos terzijde geschoven. Al in december 2012 vertelde een overloper dat het mogelijk is toegang te krijgen tot de chemische wapens van Assad. De Amerikaanse journaliste Dale Gavlak vernam van de rebellen zelf dat zij het waren die de chemische wapens, door Saudi-Arabië geleverd, gebruikt hebben. Uit talrijke gesprekken met artsen, inwoners van Ghouta, strijders van de opstandelingen en hun families, komt naar voren dat bepaalde Jihadisten chemische wapens via de chef van de geheime dienst van Saoedi-Arabië, prins Bandar bin Sultan , hadden gekregen en verantwoordelijk zijn voor de dodelijke gifgasaanval. In een video zeggen jihadisten inderdaad verantwoordelijk te zijn voor het gebruik van chemische wapens. Dale Gavlak kreeg na publicatie de opdracht haar artikel te ontkennen en in te trekken onder druk van de Saoedi-Arabische prins Bandar bin Sultan. Resultaat: ze werd zonder verklaring ontslagen (Infowars, 24 sept. 2013).

Volgens Agnes Mariam el-Salib, moeder-overste van het klooster in Qara zijn de door Amerika gebruikte video-opnamen van kronkelende, kotsende en naar adem happende kinderen in Ghouta, vervalst. Wat alle waarnemers is opgevallen is het grote aantal kinderen onder de slachtoffers. Amerika heeft er 426 geteld, maar dat klopt van geen kant want dat zijn er meer dan het totale aantal slachtoffers. Vreemd genoeg blijken de kinderen bijna allemaal dezelfde leeftijd te hebben en blijkt het gas alleen kinderen en enkele volwassen mannen gedood te hebben, maar schijnen vrouwen gespaard te zijn. Doordat de beelden van de slachtoffers via alle satellietkanalen verspreid werden, herkenden Alawitische gezinnen in Latakia op 300 kilometer afstand, tot hun grote ontsteltenis hun kinderen die twee weken daarvoor door de jihadisten waren ontvoerd. Hierover is in de Westerse media nauwelijks iets terug te vinden. Alhoewel het duidelijk is dat de kinderen zijn gestorven door chemische vergiftiging is het nog lang niet zeker of ze zijn vergast. Getuigen vertellen over de chemische geur die ze waarnamen terwijl sarin gas reukloos is. De officiële onderzoekscommissie heeft nog steeds niet één woord gezegd over de werkelijke schuldigen van deze gifgasaanval in Ghouta. Ze proberen zo lang mogelijk de schijn overeind te houden alsof de Syrische  regering schuldig zou zijn. Toch gaan de onthullingen verder. Vier families die de massale  slachtingen en ontvoeringen door rebellen op 4 augustus in Lattakia overleefden, hebben een officiële aanklacht ingediend en getuigen dat ze op de beelden van de gifgasaanval in Ghouta hun gekidnapte kinderen herkennen!

Volgens Carla Del Ponte, de voormalige voorzitter van het Yoegoslavië-tribunaal, is de Syrische overheid ook niet verantwoordelijk voor de eerdere gifgasaanvallen in het voorjaar. In een interview in mei 2013, met de Zwitserse televisiezender ‘RSI’ zegt zij dat onderzoekers die gesprekken hebben gevoerd met onder meer slachtoffers en doktoren, concrete aanwijzingen hebben gekregen, dat de jihadisten verantwoordelijk zijn voor deze aanslagen. Vitaly Churkin, de permanente vertegenwoordiger voor Rusland bij de VN, presenteerde in juli 2013 aan de vijf leden van de VN-veiligheidsraad bewijs dat een aanval met chemische wapens in Aleppo in maart 2013 het werk was van de jihadisten, maar daar is niets mee gedaan. Na de aanval op 21 augustus in Ghouta kwam Churkin opnieuw met bewijzen op basis van satellietgegevens. Ook nu bleef de informatie binnenskamers. En zo zijn er meer berichten over hoe en wanneer rebellen hun handen hebben kunnen leggen op chemische wapens. Associated Press schrijft dat de VS allang niet meer weet wie welke wapens in handen heeft. Het Duitse blad Bild am Sonntag meldt dat Assad een verzoek van zijn militaire commandanten om chemische wapens in te zetten, heeft afgewezen. Op een video die voor kort nog op You Tube was te zien, maar niet meer te openen is, was te zien hoe jihadisten een vat met een chemisch goedje (zenuwgas) op een raket plaatsen om deze vervolgens af te vuren.

Amerikaanse geheime diensten logen over zogenaamde chemische wapens. Volgens twee Amerikaanse deskundigen, Theodore Postol van het gerenommeerde Massachusetts Institute of Technology (MTI) en de voormalige VN-inspecteur Richard Lloyd, berustte de informatie van westerse regeringen dat de gifgasaanval op Ghouta op 21 augustus 2013 met chemische wapens alleen maar uitgevoerd zouden kunnen zijn door het regime van president Assad op foutieve informatie van westerse geheime diensten. Volgens Postol en Lloyd werden bij deze aanval “geïmproviseerde chemische granaten” met een reikwijdte van ongeveer 2 kilometer ingezet. Syrische regeringstroepen zouden echter op het moment van inzet aanzienlijk verder verwijderd zijn geweest van het doelwit. Ze konden daarom niet door Syrische troepen zijn afgeschoten. Ook de ingezette rakettypes zijn niet te vinden in de door de regering-Assad aangegeven verklaring over de eigen bestanden aan de Organisatie voor de Controle op het Verbod van Chemische Wapens (OPCW). Dit werd onlangs bericht door het normaal gesproken goed geïnformeerde nieuwsagentschap McClatchy DC uit Washington. Uit andere rapporten uit het milieu rondom de VN blijkt eveneens dat de berichten van de Amerikaanse geheime diensten over de gebeurtenissen in Syrië fout waren. Niet voor niets zien waarnemers parallellen met gelijksoortige, opzettelijk gemaakte foutieve informatie van de geheime diensten uit de tijd van de Golfoorlogen, waarmee voor nationale parlementen of de VN-veiligheidsraad voor militaire interventies werd gezorgd.

Postol en Lloyd waarschuwen ervoor de westerse geheime diensten te laten wegkomen met de voortdurende foutieve informatie aan hun regeringen en de publieke opinie: “Mits de bron van deze vervalsingen niet geïdentificeerd wordt en de gebeurtenissen, die tot deze informatievevalsing hebben geleid, niet worden gecorrigeerd, dan zal de kans op een toekomstige politieke catastrofe zeer zeker toenemen”, concludeert hun rapport. Afgezien van enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld de Amerikaanse geheime dienst specialist Seymour Hersh in de gerenommeerde “London Review of Books”, verzwegen de westerse pers en de nieuwsagentschappen grotendeels de explosieve feiten van de vervalsingen van de Amerikaanse geheime diensten over Syrië.

Volgens de onderzoeksjournalist Seymour Hersh winnaar van de prestigieuze Pulitzerprijs en al jarenlang criticus van de regeringen Bush en Obama, zou Turkije achter de gifgasaanval in Ghouta zitten. De Turkse dictator Erdoğan zou hiertoe opdracht hebben gegeven om de VS te betrekken bij een oorlog tegen Syrië. In een bericht voor de “London Review of Books” beriep Hersh zich op gesprekken met mensen van de Amerikaanse geheime dienst. Volgens deze gesprekken is Washington aan het eind van het jaar 2012 tot de conclusie gekomen dat de opstand tegen Assad mislukt was. Volgens de onderzoeksjournalist was Erdoğan woedend over het uitblijven van Amerikaans ingrijpen in Syrië, en ondernam hij op eigen houtje actie om dit alsnog voor elkaar te krijgen.In het voorjaar van 2013 kwamen Amerikaanse en Britse diensten erachter dat Erdoğan het radicaalislamitische Al-Nusra-Front had laten scholen in de productie en het gebruik van Sarin. De regering Obama was echter al lang volledig op de hoogte van Erdoğans pogingeneen false-flag aanval op touw te zetten, schreef Hersh. Amerikaanse inlichtingenspecialisten hadden al snel in de gaten dat Assad de gifgasaanval niet kon hebben gepleegd. De verdenking viel op de Turken, omdat die wel die mogelijkheid hadden.

Hersh’ conclusies komen overeen met het recent gelekte telefoongesprek tussen hoge Turkse officials, waaronder minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu. Te horen was dat de regering de mogelijkheid voor een false-flag raketaanval besprak, om vervolgens een Turkse invasie van Syrië te rechtvaardigen. Hoge generaals zouden het gesprek hebben gelekt, omdat zij hier fel op tegen zijn. Erdogan liet vervolgens YouTube, Facebook en Twitter blokkeren, om ervoor te zorgen dat het lek niet bekend werd bij het grote Turkse publiek. De Westerse media weigerden echter de ware reden hiervan te erkennen, omdat dit NAVO-lid Turkije –en daarmee de Westerse steun aan de islamistische rebellen- in een extreem negatief daglicht zou stellen. Daarom werd uitsluitend gezegd dat de blokkade te maken had met de aantijgingen van corruptie tegen de regering Erdogan.

Eind 2013 schreef Hersh al dat niet Assad, maar de door het Westen gesteunde rebellen van Al-Nusra/Al-Qaeda achter de gifgasaanval zaten. Niet één grote krant wilde zijn artikel publiceren, omdat dit rechtstreeks inging tegen de Westerse propaganda dat de Syrische president ervoor verantwoordelijk zou zijn. Het Westen heeft Syrië eind april 2014 opnieuw beschuldigd van het gebruik van chemische wapens. De aanval zou hebben plaatsvonden in de buurt van Jobar. Rusland noemt de beschuldiging ongegrond en zegt dit meer dan beu te zijn.Als het Westen denkt dat ze haar duivelse politiek van leugens, intimidatie en propaganda kan verkopen aan de Russische overheid, dan heeft ze het grondig mis, laten de Russische autoriteiten aan alle media en hun contacten weten. Indien de vijanden van Damascus niet weten van ophouden, dan zal de Russische beer weldra meer doen dan alleen grommen. Zoveel is duidelijk. Het Westen is in het bedriegen van de publieke opinie, inzake de gebeurtenissen in Syrië, méér dan één brug te ver gegaan. In Moskou pikken ze die oorlogspropaganda niet langer. De vijanden van Syrië zullen moeten inbinden, zoniet zal men de gevolgen dragen. “De beschuldigingen dat de Syrische autoriteiten ook maar iets te maken hebben met het gebruik van chemische stoffen, blijven zaken die in scène zijn gezet. Volgens alle geloofwaardige informatie waarover wij, Russen, beschikken, beschrijven dergelijke aanklachten niet de waarheid”, aldus het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken op 25 april 2014.

Ook zelfmoordaanslagen met auto’s en andere vervoermiddelen beginnen dagelijkse kost te worden. Zo blies op 20 oktober 2013 een zelfmoorterrorist zich op met een vrachtwagen volgeladen met explosieven,bij een controlepost van het leger in de plaats Hama. Hierbij vielen 43 doden. Ze hebben veel geleerd van de manier waarop terreurmiljardair Jasser Arafat slachtoffers maakte onder onschuldige Israëlische burgers.

Er wordt alles aan gedaan de misleidende propaganda van Washington geloofwaardig te maken.

Onder de War Powers Act, mogen Amerikaanse presidenten militair geweld toepassen zonder goedkeuring van het Congres. Bombardementen op Syrië zullen echter het geweld niet stoppen en kunnen enorme consequenties hebben voor het hele Midden-Oosten en zelfs wereldwijd. Poetin is van mening dat een aanval op Syrië kan resulteren in een nucleaire catastrofe. ‘Het is alsof ik naar de George W.Bush en consorten kijk’ zegt Alexei Pushkov, voorzitter van het comité voor internationale betrekkingen van het Russische parlement. ‘Het is net alsof George W. Bush, Dick Cheney en Donald Rumsfeld het Witte Huis nooit hebben verlaten. Niemand begrijpt nog wat ze daar allemaal aan het doen zijn.’Zie hier de drie stadia van de westerse media en politici over de gifgasaanval in Ghouta. Met de heftigste verontwaardiging beschuldigen ze eerst geheel onterecht Syrië. Wanneer blijkt dat de rebellen er iets mee te maken hebben, wordt dit glansrijk ontkend. Wanneer hiervoor verpletterende bewijzen aanwezig zijn wordt er over gezwegen.

Wat ook opvalt, is dat de mainstream media er alles aan doet Obama en Kerry met hun misleidende propaganda zo geloofwaardig mogelijk over te laten komen. Volgens Kerry zijn de Amerikanen moe van de oorlog, en hijzelf ook. Zijn woorden klinken echter niet erg overtuigend en zelfs regelrechte leugens worden door hem tot waarheden getransformeerd. Poetin zei het al: ze liegen alles aan elkaar vast en zijn bezig het hele Midden-Oosten te destabiliseren. ‘Wij dachten met een fatsoenlijke man van doen te hebben, maar John Kerry is een leugenaar en hij weet dat zelf ook.’ Kerry vergelijkt Assad met Hitler en dat werkt natuurlijk altijd. Dergelijke doembeelden doen het goed bij de grote massa.

Scull&Bones John Kerry, aartsleugenaar

Hoewel Poetin zegt niet bij een eventuele oorlog betrokken te willen worden, staan er Russische snelle interventie-eenheden gereed op bases aan de Zwarte Zee en in de Kaukasus om eventueel in actie te komen. Poetin zal beslist niet vergeten zijn dat Obama hem ‘een verwend jongetje achter in de klas’ heeft genoemd. Rusland heeft herhaaldelijk uiting gegeven aan zijn verzet tegen militaire actie tegen Syrië en waarschuwde dat de interventie een “tragische vergissing” zou zijn. Rusland is een van de grootste wapenleveranciers van Syrië. Een confrontatie met de Amerikanen behoort dan ook zeker niet uitgesloten te worden geacht.

Washington heeft sinds de Tweede Wereldoorlog al meer dan zeventig conflicten geïnitieerd en nu is Syrië aan de beurt. Van uitstel komt in dit geval geen afstel. Indien nodig, toveren ze zo een valse vlag uit de grote hoed. De Elite heeft nu eenmaal besloten dat Assad van het wereldtoneel moet verdwijnen en daar veranderd de huidige patstelling niets aan. Libanon, Iran, Soedan en Somalië volgen ook nog.

Zowel Assad als de Jihadisten dreigen Israël aan te vallen.

Menigeen spreekt al over de tijd van na Assad, maar hij zit nog steeds op de troon en is in staat tot het maken van rare bokkensprongen wanneer de nood hem te hoog wordt. Zo kan hij besluiten met hulp van de in Syrië gelegerde Iraanse troepen en de terreurbewegingen Hamas en Hezbollah, een aanval op Israël te lanceren. Israël maakt men zich steeds grotere zorgen over de inmiddels meer dan 30.000 bloedhonden van Al-Qaeda en andere terreurgroepen in Syrië. Hun grote doel is de oprichting van een grote moslimstaat in het hart van het Midden Oosten. Zodra ze hun tegenstanders in Irak en Syrië hebben overwonnen, willen ze de strijd voortzetten tegen Jordanië en Israël. Al-Qaeda heeft inmiddels ook zo’n 1200 terroristen in Gaza. De verschillende takken in Syrië, Egypte en Gaza werken nauw met elkaar samen, en worden gesteund door lokale Salafisten, die voor de gelegenheid een nieuwe terreurgroep genaamd Ansar Bei Maqdis (het Jeruzalem Front) hebben gevormd.

Er blijft van al deze bloedhonden een gruwelijke genocidale dreiging uitgaan voor Israël. Syrië heeft gedreigd Israël bij de crisis te betrekken indien Obama mocht besluiten tot de aanval over te gaan. Syrische staatsmedia heeft een lijst van ‘legitieme’ doelen gepubliceerd, waaronder de kernreactor in Dimona in de Negev woestijn, diverse luchtmachtbases en de petrochemische fabriek in de dichtbevolkte havenstad Haifa. Premier Netanyahu zei buiten de Syrische burgeroorlog te willen blijven, maar dat Israël niet zal aarzelen om met volle kracht terug te slaan als Damascus zijn dreigementen waarmaakt. Of Assad zijn plannen ook daadwerkelijk zal uitvoeren is de vraag omdat hij weet dat een tegenaanval van Israël, het verkeerd voor hem zou kunnen aflopen.

De Koeweitse krant Al Rai citeerde een hoge Syrische official die zei dat er Scudraketten op Israël zullen worden afgeschoten. ‘Als Israël dan vergelding wil, zal ons antwoord nog verder gaan, omdat wij dan niets meer te verliezen hebben.’ Ook een lid van de Syrische Nationale Baath partij, Halef al- Muftah, zei dat Israël “onder vuur zal komen” mocht Syrië worden aangevallen door de VS. Hij vertelde de Amerikaanse radiozender Sawa: “We hebben strategische wapens en we kunnen terugslaan. Feitelijk staan de strategische wapens gericht op Israël”. Maar  voor wie zou Israël moeten vrezen wetende dat de Here met hen is?

Psalm 27:1-2-3  De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Here is mijn levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn? Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees te eten- mijn tegenstanders en mijn vijanden- zijn zij zelf gestruikeld en gevallen. Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen.

Volgens schattingen heeft het Syrische leger zo’n 100.000 raketten en projectielen in haar bezit. Enkele duizenden van hen worden beschouwd als zeer krachtig en nauwkeurig en kunnen elk doelwit in Israël bereiken. In Libanon houdt de terreurbeweging Hellsballah, naar schatting 50.000 projectielen gericht op Israël. Tientallen van hen zijn geleide raketten die zelfs Israëls zuidelijke gemeenschappen kunnen bereiken. Hoe zei de profeet Jeremia het ook alweer: Jeremia 1:13 En het woord des Heren kwam andermaal tot mij:Wat ziet gij? Toen zeide ik: ik zie een kokende pot, verschijnende van de noordzijde. Daarop zeide de Here tot mij: Uit het Noorden zal het onheil losbreken. Deze profetische woorden klinken vandaag wel erg luid en duidelijk. Volgens een Syrische legerofficier heeft het leger ook een groep ‘martelaren’ klaar staan om Amerikaanse gevechtsvliegtuigen met kamikazeaanvallen te stoppen: ‘Dertien piloten, en een totaal van meer dan 8000 Syrische militairen hebben uitgesproken de bereidheid te hebben om te sterven in zelfmoordacties’.

De Bijbel zegt al dat Israel tot een zegen van de wereld zal zijn. Terwijl Assad dreigt Israël te zullen vernietigen, redden Israëlische dokters en hulpverleners intussen het leven van talrijke Syriërs die gewond zijn geraakt tijdens gevechtshandelingen. Tot begin september 2013 heeft Israël meer dan 150 Syrische gewonden behandeld in onder meer het Rambam ziekenhuis in Haifa, het Ziv ziekenhuis in Safed en het Poria ziekenhuis bij Tiberias. Bijna dagelijks vluchten gewonde Syriërs naar de Syrisch-Israëlische grensovergang bij Quneitra en op de Golan-hoogvlakte en vragen daar om hulp. Israël doet er alles aan om mensen in nood te helpen, waar ook ter wereld. Intussen zijn ze ook actief in de vluchtelingenkampen in Jordanië, om daar gewonde Syriërs bij te staan en een Israëlische organisatie opereert anoniem in Syrië en voorziet in medische hulp en voedsel voor hen die dat nodig hebben.

Waar zijn al die pro-PLO-schreeuwers nu, nu tienduizenden Palestijnse vluchtelingen onder erbarmelijke omstandigheden moeten zien te overleven in het Yarmoek vluchtelingenkamp in Syrië. Er zijn al ruim tweeduizend doden gevallen en velen verkeren in levensgevaar. Waar blijft huilebalk Dries van Agt nu en al die andere flapdrollen die zich zo inzetten voor de landrovers in Ramallah? Er is maar een duidelijke reden voor. Ze zijn totaal niet geïnteresseerd in het lot van deze vluchtelingen. Ze komen pas in actie wanneer Israël er bij betrokken is om zodoende van hun ordinaire Jodenhaat te kunnen getuigen.

De macht van het beest groeit gestaag. We leven in een verdwaasde wereld, waar het gezond verstand hoe langer hoe meer verloren gaat en plaats maakt voor een schijnheilig pseudotolerant maatschappelijk gedrag. De hulp van het Westen en diverse Arabische landen aan de jihadisten in Syrië heeft helemaal niets te maken met het willen instaleren van een democratische regering. Het creëren van chaos lijkt de enige doelstelling want ieder weldenkend mens kan invullen dat er van de opererende jihadisten niets democratisch verwacht mag worden. Wat ze aan het doen zijn is Syrië in een ruïne en een massagraf veranderen. Het voorwendsel van “vrijheid en democratie” heeft zijn geloofwaardigheid al lang verloren.

Grootspraak en godslastering zijn aan de orde van de dag maar er komt een tijd dat de samenzweerders de rekening gepresenteerd zullen krijgen voor hun wandaden.

Bron

VN: geen voedsel meer voor Syrische vluchtelingen – wel  $ 1,6 miljard voor ‘Palestina’

VN: geen voedsel meer voor Syrische vluchtelingen – wel $ 1,6 miljard voor ‘Palestina’

De centen zijn op. Hulp naar de èchte vluchtelingen in Syrië wordt door de Verenigde Naties half december 2014 opgeschort, maar de nep-vluchtelingen van de Palestijnse ‘staat’ krijgen maandelijks honderden miljoenen dollars en euros [aan politiek gemotiveerde] steun toegeschoven. Begrijpe wie begrijpe kan. 😦

Een bericht van Al Jazeera van 2 december 2014, een TV-station dat opereert vanuit Qatar:

“Het voedselagentschap van de Verenigde Naties heeft aangekondigd dat het zijn voedselprogramma opschort, dat meer dan 1,7 miljoen Syrische vluchtelingen bedient, omdat er geen geld meer is. Het World Food Programme (WFP) vertelde op maandag jl. dat het in december “onmiddellijke behoefte heeft” aan minstens 64 miljoen dollars om enkel de verdreven Syriërs te voeden die thans leven in naburige landen zoals Jordanië, Libanon, Irak en Turkije.

“Een opschorting van de voedselhulp door het WFP zal de gezondheid en de veiligheid bedreigen van deze vluchtelingen en zullen de potentiële spanningen verder opdrijven en tevens de instabiliteit en onveiligheid in de naburige gastlanden doen toenemen,” zei WFP Gevolmachtigd Directeur Ertharin Cousin, in een oproep aan donoren. “De opschorting van de voedselhulp van het WFP zal desastreus zijn voor de nu al lijdende gezinnen.”

Sinds de oorlog in Syrië in 2011 is begonnen, zijn meer dan drie miljoen mensen naar de buurlanden gevlucht. De vluchtelingen gebruiken onder het VN-programma, vouchers om voedsel te kopen in de plaatselijke winkels. De VN levert basisbenodigdheden zoals meel, olie om te koken en suiker. Maar het verstrekt ook essentiële voedsel vouchers voor zwangere en zogende moeders.

“Zonder de WFP vouchers, zullen veel gezinnen honger lijden. Voor vluchtelingen die nu al vechten om de strenge winter te overleven, zullen de gevolgen van de stopzetting van deze bijstand verwoestend zijn,” zei de VN. Elke maand voedt de VN meer dan vier miljoen mensen binnen Syrië en ruim een miljoen meer die tijdelijke opvang hebben in andere landen.

Muhannad Hadi, de VN-coördinator van het voedselprogramma, vertelde Al Jazeera dat de vluchtelingen een strenge winter tegemoet gaan zonder de steun van de wereldorganisatie. “Het is definitief een ramp,” zei hij, sprekend vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman. “Als wij de voedsel vouchers niet kunnen leveren, zullen ze gewoon niets te eten hebben. Wij vragen de wereld [om hulp]. Dit is een internationale crisis.”

Palestijnen, het Uitverkoren Volk van de Verenigde Naties

Er gaat nochtans zoveel internationale hulp de wereld rond en één reden waarom het World Food Program bijna geen geld meer heeft is omdat de overbodige, opgeblazen UNRWA (de aparte VN-hulporganisatie alléén voor Palestijnen] om de paar maanden haar eigen “crisis” blijft produceren om haar eigen cashflow aan de gang te houden.

Vorige week riep de UNRWA andermaal de noodtoestand uit in de Gazastrook enkel omwille van een overstroming veroorzaakt door hevige regenval, maar waarbij geen enkele persoon gewond raakte noch omkwam.
Terwijl de WFP dringend 64 miljoen dollars zoekt om de ergste nood te lenigen en om te verhinderen dat de mensen zouden sterven van de honger, eist de UNRWA 1,6 miljard dollars van de internationale gemeenschap bovenop de 300 miljoen dollars die het eerder dit jaar eiste.

Terwijl de Syrische vluchtelingen geen eten meer hebben, gaat de UNRWA fondsen werven in Japan en in Azerbeidjan. Nog gekker is dat de UNRWA ook geld overdraagt aan het relatief klein percentage van Syrische vluchtelingen die onder haar mandaat vallen.

In plaats dat de Verenigde Naties al haar inspanningen concentreert op een enkele fondsenwervingscampagne voor alle Syrische vluchtelingen om aldus een eerlijke verdeling te bekomen, heeft de UNRWA een apart programma omdat de Verenigde Naties een onderscheid maakt tussen vluchtelingen die toevallig sommige voorouders hebben die in in 1947 gewoond hebben in het Britse Mandaatgebied Palestina in 1947 en al hun nakomelingen tot in de eeuwigheid.

De UNHRC en de WFP worstelen om de Syrische vluchtelingen de basisprincipes te geven zoals voedsel en medische verzorging, terwijl de Palestijnen die onder het mandaat van de UNRWA vallen, veel hogere niveaus van steun per hoofd van de bevolking ontvangen, met inbegrip van scholing en geneeskunde.

“Palestijnse” vluchtelingen van Syrië die in verschillende kampen in Jordanië leven krijgen veel betere verzorging dan de Syriërs, omwille van de Arabische onverdraagzaamheid tegenover Palestijnen (die generaties lang in kampen opgesloten moeten blijven) die wel door de VN en de internationale gemeenschap koudweg onder het tapijt wordt geveegd.
De inefficiëntie van het hebben van UNRWA die hetzelfde werk doet als de andere VN-agentschappen, en de Arabische landen die blijven aandringen op discriminatie jegens de Palestijnen, werkt de verspilling van enorme hoeveelheden hulpgelden in de hand.

Binnen zonder kloppen – volledige tekst – boek niet meer te krijgen

  1. De vraag is dus: waardoor heeft de immigratie-industrie haar positie zo lang kunnen handhaven? De Nederlandse variant van het McCarthyisme heeft de immigratie-industrie jarenlang in de kaart gespeeld. De werkelijke vraag wordt dus: waardoor heeft die maatschappelijke terreur de immigratie-industrie zo lang tot steun kunnen zijn? Diverse media hebben daarbij een rol gespeeld maar de hoofdrol was toch wel voor de televisie weggelegd. Al direct valt op dat de immigratie-industrie in de loop der jaren tal van mensen met telegenieke presentatie heeft voortgebracht, van advocaten tot welzijnswerkers. Uiteindelijk komt het vraagstuk van de asociale overheidsverspilling dus hierop neer dat verklaard moet worden waardoor de tv zo lang en zo intens met de immigratie-industrie heeft samengewerkt.
  2. Het antwoord op die vraag is tweeledig. Hoe kleiner de afstand tot een gebeurtenis, hoe groter de aandacht daarvoor. Een buurman die zijn been breekt is belangrijker dan honderd doden in India. Wanneer tijdens een storm voor de Filippijnse kust een veerboot omslaat en honderden opvarenden verdrinken, leidt zo’n gebeurtenis in de Nederlandse kranten tot een bericht van één, hooguit twee, kolommen. Wanneer bij een aardbeving in China 10.000 mensen omkomen, krijgt ook dat nieuws in de Nederlandse kranten in het algemeen maar een klein berichtje.De belangstelling voor een gebeurtenis hangt dus niet alleen samen met de ernst van de gebeurtenis, het aantal slachtoffers of de hoeveelheid leed. De hoeveelheid aandacht wordt door andere factoren bepaald, zoals de letterlijke afstand tot de gebeurtenis als ook de persoonlijke betrokkenheid. Als bij het zinken van een Filippijnse veerboot ook Nederlanders verdronken zouden zijn, zou de ondergang van die boot in Nederland meer aandacht krijgen.Het verschijnsel dat de aandacht voor een gebeurtenis lang niet altijd in verhouding staat tot de hoeveelheid leed of het aantal slachtoffers, is algemeen geaccepteerd.
  3. De keerzijde van deze medaille is dat zaken zonder veel leed onevenredig veel aandacht kunnen krijgen. Het leed van een immigrant die Nederland moet verlaten omdat hij niet aan de toelatingscriteria voldoet en daardoor een stuk welvaart waarop hij meende recht te hebben, weer moet inleveren, is in vergelijking met de hongerdood van vele zuigelingen, van weinig belang. Toch trekt zo’n nabije immigrant alle aandacht.Er is nog een ander punt. Als informatief medium loopt de tv achter bij de schrijvende media. Beelden kunnen daarentegen in het algemeen weer beter emoties opwekken. Toen Fokker ten onder ging, kwamen in tv-uitzendingen over dat onderwerp altijd sfeervolle opnames van de oude Spin (het eerste toestel van Fokker) voor, hoewel dat toestel niet tot de ondergang van de fabriek had geleid. Ook TV-medewerkers zelf erkennen dat men belangrijke onderwerpen soms moet laten liggen omdat er geen interessant beeldmateriaal bij geleverd kan worden. De beeldpotentie bepaalt dus mede of een gebeurtenis tv-nieuws kan worden.De TV heeft van deze nood een deugd gemaakt en zich gespecialiseerd tot emotie-TV, of beter gezegd, tot huil-TV, niet in de beperkte zin van honeymoonquizzen of dat soort programma’s, maar in ruime zin waardoor ook het journaal eronder valt.
  4. Dan nu, de tweede pijler waarop de Nederlandse geldverspilling uiteindelijk zou kunnen rusten: de schaamte. Schaamte over de Tweede Wereldoorlog, over de medewerking aan de holocaust, over het koloniale verleden en over de slavenhandel.Nederland heeft als staat inderdaad reden om zich te schamen voor de weinig royale ontvangst van joodse en andere Duitse vluchtelingen in de jaren dertig. De regering Colijn joeg de vluchtelingen bij duizenden weer de Duitse grens over, hun dood tegemoet. Bovendien zijn tussen 15 juli 1942 en 13 september 1944 ruim 100.000 joden naar Duitsland en Polen gedeporteerd om daar vermoord te worden. Dit gebeurde met instemming van de Nederlandse regering in Nederland en met praktisch stilzwijgen van de Nederlandse regering in Londen. De hoogste Nederlandse ambtenaren deden uit vrije wil mee, zij het dat ze bij weigering naar een ander baantje hadden moeten omkijken. Toen de Duitsers Nederland bezetten bestond er in Nederland geen administratie van wie jood was en wie niet. De deportatieplannen konden pas worden uitgevoerd nadat men een administratief overzicht van alle joden had verkregen. Dit kreeg men door de zogenaamde ariërverklaring voor iedereen verplicht te stellen. In die verklaring gaf iedere ingezetene aan hoeveel joodse grootouders hij of zij had. Bij de invoering van deze voor de jodenvernietiging essentiële verklaring namen de leden van de Hoge Raad der Nederlanden het voortouw. Zij ondertekenden de verklaring als eersten en gaven daarmee het voorbeeld aan lagere rechters, aan ambtenaren en aan burgers. De hoogste Nederlandse ambtenaren, de secretarissen-generaal, ondertekenden de regelingen waarbij hulp aan joden tot misdrijf werd verklaard. Met zijn oordeel dat door de bezetter ingestelde rechtsregels geldend recht waren, maakte de Hoge Raad ook ruimte voor de regel dat het een misdrijf was om joden te redden. Dat heeft ertoe geleid dat velen hun natuurlijke neiging om te helpen onderdrukten. De hoogste Nederlandse politie-autoriteiten gingen akkoord met het uit hun huizen slepen van joodse Nederlanders. Wilhelmina tenslotte had een veilig heenkomen gezocht in Londen en in strijd met de grondwet was de Nederlandse regering haar achternagereisd. Hoewel in Nederland de elites in brede zin zich dus aan buitensporig wangedrag hadden schuldig gemaakt (de koningin, de secretarissen-generaal, de hoge ambtenaren, de leden van de Hoge Raad) werd na de oorlog niemand van hen voor de rechter gedaagd. Wie zou ook wie ter verantwoording moeten roepen? Geen veroordelingen, en zelfs geen vervolgingen op niveau. Misschien wel een besef van eigen tekortschieten. De mensen om wie het gaat zijn overleden. Hun morele schuld gaat over op de Staat der Nederlanden. Maar gaat die morele schuld niet ook over op de sociale klasse waartoe de toenmalige elites behoorden? Het lijkt ongerijmd dat deze meer overgaat op andere, lagere klassen.
  5. Dan is er de schaamte over het koloniaal verleden, over het feit dat ‘wij’ andere volkeren hebben uitgebuit en onderdrukt. Met name Indonesië is sinds de Gouden Eeuw uitgebuit, eerst door de Verenigde Oost-Indische Compagnie, die weliswaar een onderneming met particuliere aandeelhouders was, maar van de Zeven Verenigde Provinciën grote overheidsbevoegdheden ontvangen had en in Nederlands-Indië letterlijk een staat in een staat vormde. In 1832 werd de uitbuiting via het cultuurstelsel door de inmiddels gevormde Nederlandse staat zelf ter hand genomen. Dat stelsel hield in dat men in Indië een vijfde deel van zijn grond moest bebouwen met door de regering voorgeschreven en voor de regering bestemde producten. Een door de schrijver Multatuli bekend geworden voorbeeld was de verplichting om koffie te verbouwen, die dan vervolgens via de koffieveilingen van de Nederlandse Handelsmaatschappij, een voorloper van de abn-amro bank, in Amsterdam aan de man werden gebracht. Met de opbrengst konden de kosten van het Nederlands bestuur in Indie worden betaald en er bleef een, jaarlijks stijgend, batig saldo over dat naar Nederland werd overgemaakt. Recenter in het geheugen liggen de militaire veroveringen in Nederlands-Indië, met name de Atjeh-oorlogen onder leiding van generaal Van Heutz, de latere adjudant van koningin Wilhel-mina. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat Nederland als Staat zich mag schamen voor het koloniale verleden, niet alleen voor de activiteiten van zijn onderdanen maar ook voor die van zichzelf. Ook hier rijst de vraag of de morele schuld alleen op de staat rust of ook op de sociale klasse van de vroegere koloniale profiteurs en beleidsbepalers, of dat deze overgaat op de lagere sociale klassen.
  6. Tenslotte de schaamte over de slavenhandel. Sinds de zestiende en zeventiende eeuw hebben lokale West-Afrikaanse machthebbers honderdduizenden van hun medemensen aan West-Europese sla-venhandelaren verkocht. In de achttiende en negentiende eeuw deden ook Nederlanders aan deze slavenhandel mee. De Nederlanders verkochten de slaven overwegend aan Surinaamse plantageeigenaren. Nederland betaalt zijn morele schuld jegens de nakomelingen van die slaven sedert jaren in twee vormen: als klassieke externe ontwikkelingshulp (hoewel deze hulpverlening sinds de moordpartijen in Paramaribo in het begin van de jaren tachtig op een laag pitje staat) en als interne ontwikkelingshulp. Ruim dertig procent van de Surinaamse bevolking heeft in Nederland een nieuw tehuis gevonden en hun aantal groeit nog steeds.
  7. De relatie met de Nederlandse Antillen is gecompliceerder. Er gaat veel geld naartoe en ook komen vele Antillianen naar hun nieuwe tehuis: Nederland. Aan de andere kant maken Nederlandse banken winsten doordat ze vestigingen op de Antillen mogen hebben. Bovendien is het aanhouden van de overzeese rijksdelen voor Nederlandse politici een onuitputtelijke bron van snoep- en zakenreisjes zoals eind 1998 weer eens bleek toen een grote parlementaire delegatie de toestand in de gevangenis Koraal Specht inspecteerde en vervolgens besloot dat Nederland het bestuur daarvan over moest nemen.Voorzover schaamte over de Nederlandse medewerking aan de holocaust, over het koloniale verleden en over de slavenhandel een rol speelt bij de zichtbare wijze waarop Nederland zijn charitas bedrijft, zou eens uiteengezet moeten worden waarom de lasten van die charitas op uitkeringsgerechtigden, AOW-ers, zieken en andere zwakkeren in de Nederlandse samenleving worden afgewenteld en niet op de hogere sociale klassen die bij deze praktijken actief betrokken waren.De Nederlandse immigratiepolitiek sinds de Tweede Wereldoorlog heeft tot gevolg gehad dat in Nederland de armen armer zijn geworden, de rijken rijker en dat vele tientallen miljarden guldens via interne hulp zijn uitgegeven aan mensen die deze hulp aanzienlijk minder nodig hadden dan echte vluchtelingen. Deze politiek wordt nog steeds voortgezet.

 Auteur: Pieter Lakeman

Oriana Fallaci – Uit: De Kracht van de Rede

Oriana Fallaci – Uit: De Kracht van de Rede

Een van de slechte eigenschappen die kenmerkend is voor politici is de arrogantie om te denken dat u mensen voor de gek kunt houden, dat u ze als blinden of debielen kunt behandelen, dat u ze allles voor zoete koek kunt laten slikken, en dat u de meest evidente feiten kunt ontkennen of negeren. De meest zichtbare, concrete en duidelijke feiten. Maar deze keer lukt u dat niet, mijnheer. Deze keer kunt u de feiten, die zelfs kinderen kunnen zien, niet ontkennen. U kunt datgene wat zich iedere dag en op ieder moment afspeelt in iedere stad en in ieder dorp in Europa niet negeren. In Italië, Frankrijk, Engeland, Spanje, Duitsland, Nederland, Denemarken, overal hebben ze zich gevestigd. Leest u nog maar eens dat wat ik over Marseille, Granada, Londen en Keulen geschreven heb. Kijkt u maar eens hoe immigranten zich gedragen in Turijn, Milaan, Bologna, FLorence en Rome. Allemachtig, niemand op deze planeet verdedigt zijn eigen identiteit zo goed en weigert zo halsstarrig te integreren als de moslims. Helemaal niemand. Integratie wordt door Mohammed namelijk verboden en bestraft.

Als u daar niet van op de hoogte bent, moet u maar eens in de koran kijken. Leest u dan zelf maar eens de soera’s, waarin integratie verboden is en bestraft wordt. In de tussentijd citeer ik er alvast een paar. Deze bijvoorbeeld: “Allah staat zijn gelovigen niet toe vriendschap te sluiten met ongelovigen. Vriendschap zorgt voor genegenheid, geestelijke aantrekkingskracht en meer begrip voor de moraal en levenswijze van ongelovigen, terwijl de denkbeelden van ongelovigen in strijd zijn met de sharia. Die denkbeelden zijn erop gericht om ons te beroven van onze onafhankelijkheid en ons overwicht, met het doel ons te overwinnen. Maar het is de islam die overwint. Het is de islam die zich niet laat overwinnen.” Of deze: “Toon geen enkele zwakte tegenover de vijand. Vraag hem niet om vrede te sluiten, en al helemaal niet als je de sterkste bent. Vermoord ongelovigen overal waar je ze tegenkomt. Val ze aan en bestrijd ze, met alle denkbare listen.”

Anders gezegd: volgens de koran zijn wij het die zouden moeten integreren. Wij zouden hun wetten, hun gewoontes en hun verdomde sharia moeten overnemen.

(…) En wie gelooft in de mythe van het ‘in vrede samenleven’, dat volgens de Collaborateurs bepalend was voor de verhouding tussen de veroverden en de veroveraars, zou er goed aan doen om de verhalen te herlezen over de afgebrande kloosters en abdijen, de ontheiligde kerken, de verkrachte nonnen en de christelijke of joodse vrouwen die ontvoerd werden om in harems te worden opgesloten. Die zou er goed aan doen na te denken over de kruisigingen in Cordoba, de ophangingen in Granada en de onthoofdingen in Toledo en Barcelona, in Sevilla en Zamora. (Het bevel voor onthoofdingen in Sevilla werd gegeven door Mutamid, een koning die de tuinen van zijn paleis versierde met de afgehakte hoofden. Het bevel voor de onthoofdingen in Zomara werd gegeven door Almanzor, een vizier die omschreven werd als de-mecenas-van-de-filosofen en de-grootste-leider-die-het-islamitische-Spanje-ooit-had-gekend.) Jezus! Als je de naam van Christus of de Maagd Maria riep, werd je meteen terechtgesteld. Je werd gekruisigd, onthoofd of opgehangen. En soms ook gespietst. Dit gebeurde ook als je de klokken luidde of als je een groen kledingstuk droeg, want groen is immers de kleur van de islam. Als er een moslim voorbij kwam, moesten de ongelovige honden aan de kant gaan en een buiging maken. Als ze door een moslim werden aangevallen of beledigd, mochten ze zich niet verzetten. Weet je trouwens hoe het kwam dat de ongelovige honden niet verplicht waren om zich tot de islam te bekeren? Dat kwam doordat bekeerlingen, in tegenstelling tot ongelovige honden, geen belasting hoefden te betalen.

In 721 trokken ze vanuit Spanje naar het niet minder katholieke Frankrijk. Onder leiding van Abd Al-Rahman, de gouverneur van Andalusië, staken ze de Pyreneeën over en namen Narbonne in. Ze slachtten de hele mannelijke bevolking af, maakten alle vrouwen en alle kinderen tot slaaf, en vervolgden hun weg naar Carcasconne. Van Carcasconne trokken ze verder naar Lyon en Dijon, waar ze iedere kerk plunderden, en weet je hoe lang ze erover deden om in Frankrijk op te rukken? Elf jaar. In golfbewegingen. In 731 bereikte een golf van 380.000 infanteristen en 16.000 ruiters Bordeaux, waar men zich onmiddellijk overgaf. Van Bordeaux gingen ze naar Poitiers en vervolgens naar Tours, en als Karel Martel in 732 de strijd van Poitiers-Tours niet had gewonnen, dan zouden de Fransen nu ook de flamenco dansen. In 827 gingen ze aan wal op Sicilië, dat ook hun begeerte had gewekt. Ze veroverden, zoals gewoonlijk al bloedvergietend en ontheilligend, Syracuse, Taormina, Messina en vervolgens Palermo, en in driekwart eeuw (zo lang was ervoor nodig om het trotse verzet van de Sicilianen te breken) bekeerden ze het eiland tot de islam. Ze bleven er meer dan tweeënhalve eeuw, dat wil zeggen totdat ze werden verdreven door de Noormannen. Maar in 836 gingen ze aan wal in Brindisi. En in 840 in Bari. En ze bekeerden ook Apulië tot de islam. In 841 gingen ze aan wal in Ancona. Vervolgens trokken ze van de Adriatische Zee weer terug naar de Tyrrheense Zee, en gingen ze in de zomer van 846 aan wal in Ostia. Ze plunderden het, staken het in brand en door in de delta van de Tiber stroomopwaarts te varen, bereikten ze Rome. Ze belegerden de stad en op een nacht vielen ze binnen. Ze plunderden de basilieken van Sint Pieter en Sint Paulus, en roofden alles wat los en vast zat. Om van ze af te komen, was paus Serge II genoodzaakt ze een jaarlijkse toelage van 25.000 zilveren munten te betalen. Om andere aanvallen te voorkomen, zag zijn opvolger Leo IV zich genoodzaakt stadsmuren te laten bouwen, die we nu nog kennen onder de naam mura leonine.

Maar toen ze Rome verlaten hadden, vestigden ze zich in Campanië.Ze bleven er zeventig jaar, terwijl ze Montecassino verwoestten en Salerno onveilig maakten. Op een gegeven moment vermaakten ze zich door iedere avond een non te ontmaagden. En weet je waar ze dat deden? Op het altaar in de kathedraal. In 898 gingen ze aan wal in de Provence. Om precies te zijn, bij het huidige Saint-Tropez. Ze vestigden zich er, trokken in 911 de Alpen over, en vielen Piëmontbinnen. Ze bezetten Turijn en Casale, staken de kerken en bibliotheken in brand, vermoordden duizenden christenen en gingen vervolgens naar Zwitserland. Ze bereikten de vallei van Graubünden en het Meer van Genève, maar ontmoedigd door de sneeuw maakten ze vervolgens rechtsomkeert. Ze keerden terug naar de warme Provence, bezetten in 940 Toulon en…

Tegenwoordig is het mode geworden om berouw te tonen over de kruistochten, om het Westen te veroordelen en om de kruistochten te zien als een onrechtvaardigheid tegenover die arme, onschuldige moslims. Maar meer nog dan een reeks krijgsondernemingen om het Heilige Graf te heroveren, waren de kruistochten het antwoord op vier eeuwen van invasie, bezetting, tirannie en slachtpartijen. Ze waren een tegenoffensief om het islamitisch imperialisme in Europa een halt toe te roepen en om de moslims naar het Oosten uit te laten wijken(mors tua vita mea). In de richting van India, Indonesië, China, het Afrikaanse continent en ook naar Rusland en Siberië, waar de tot de islam bekeerde Tartaren de koran al hadden geïntroduceerd. En ja hoor, toen de kruistochten voorbij waren, begonnen de zonen van Allah ons weer, net als vroeger, of eigenlijk meer nog dan vroeger, lastig te vallen. Deze keer waren het de Turken die voorbereidingen troffen om het Ottomaanse Rijk te stichten. Een rijk dat Europa tot de achttiende eeuw zou overspoelen met zijn hebzucht en gulzigheid, en dat van Europa zijn favoriete slagdveld zou maken. Die gulzigheid vertegenwoordigd en overgebracht door de beroemde janitsaren, die de hedendaagse Italiaanse taal verrijkt hebben met het synoniem voor (huur)moordenaar of fanaticus. Maar weet je wie die janitsaren eigenlijk waren? Het waren de door het Rijk uitverkoren troepen. Supersoldaten die er net zo goed in waren om zich op te offeren, als om te vechten, te moorden en te plunderen. En weet je waar ze gerekruteerd, of beter gezegd gevangen genomen werden? In de landen die zich aan het Rijk hadden onderworpen. In Griekenland bijvoorbeeld, of in Bulgarije, Roemenië,, Hongarije, Albanië, Servië, en soms ook in Italië. Langs de door piraten beheerste kusten. De knapste en sterkste eerstgeborenen uit goede families werden geselecteerd en op een leeftijd van tien, elf of twaalf jaar ontvoerd. Nadat ze bekeerd waren, werden ze opgesloten in kazernes en, terwijl hun verboden werd te trouwen of zelfs maar een liefdes- of vriendschapsrelatie aan te gaan (ze werden daarentegen juist aangespoord om te verkrachten), werden ze geïndoctrineerd op een wijze waarvan Hitler, bij de indoctrinatie van zijn Waffen SS, nog iets had kunnen leren. Ze werden omgevormd tot het meest indrukwekkende oorlogsapparaat dat de wereld sinds de tijd van de oude Romeinen gekend had.

Het is niet mijn bedoeling je te vervelen met geschiedenislesjes die tot grote opluchting van Doedoe op onze scholen angstvallig omzeild worden, maar ik moet toch, zij het op beknopte wijze, je geheugen even opfrissen. En zie daar, in 1356, dus 84 jaar na de achtste kruistocht, pikten de Turken Gallipolis in, het schiereiland dat zich over honderd kilometer langs de noordelijke kust van de Darnanellen uitstrekt. Van daaruit vertrokken ze om het zuidoosten van Europa te veroveren en in een mum van tijd vielen ze Thracië, Macedonië en Albanië binnen. Ze dwongen het machtige Servië op de knieën en schakelden met een beleg van vijf jaar Constantinopel uit, dat inmiddels al helemaal was afgesneden van de rest van het Westen. Het is waar dat ze in 1396 tot stilstand kwamen om tegenstand te bieden aan de Mongolen (die op hun beurt ook al tot de islam bekeerd waren), maar in 1430 zetten ze hun mars voort om het onder Venetiaanse heerschappij vallende Thessaloniki te bezetten. Terwijl ze in 1444 de christenen in Varna onder de voet liepen, zorgden ze ervoor dat ze Walachije, Moldavië en Transsylvanië in bezit kregen. Oftewel, het hele gebied dat nu Bulgarije en Roemenië heet. In 1453 belegerden ze opnieuw Constantinopel, dat op 29 mei in handen viel van Mohammed II. Hij was een woesteling die, volgens de islamitische wet op de broedermoord (een wet waarin toestemming werd verleend aan de sultan om, in het belang van de dynastie, zijn naaste familieleden uit de weg te ruimen), de troon bestegen had door zijn drie jaar oude broertje te wurgen. Ken je trouwens het verhaal over de val van Constantinopel, dat de schrijver Phrantzes ons heeft nagelaten? Misschien niet. In het Europa waar alleen gehuild wordt om de moslims en nooit om christenen, joden, boeddhisten of Hindoes, zou het immers niet Politiek Correct zijn om de details van de val van Constantinopel te kennen…

Bij het vallen van de avond, als Mohammed II de muren van Theodostus onder vuur neemt, vlucht de bevolking de kathedraal van de Heilige Sofia in, begint psalmen te zingen en te smeken om goddelijke barmhartigheid. De patriarch leidt bij kaarslicht de laatste mis en, om de bangsten te troosten, roept hij: ‘Wees niet bang! Morgen zullen jullie in de Hemel zijn en zullen julie namen tot het einde der dagen voortleven!’ De kinderen huilen en hun moeders snikken: ‘Stil maar mijn kind, stil maar! We sterven voor ons geloof in Jezus Christus! We sterven voor onze keizer Constantijn XI en voor ons vaderland!’ De Ottomaanse troepen dringen met tromgeroffel door de openingen in de ingestorte stadsmuren naar binnen, overweldigen de Genuese, Venetiaanse en Spaanse verdedigers, slachten iedereen met hun kromzwaard af, stormen vervolgens de kathedraal in en onthoofden zelfs de baby’s. Met hun hoofdjes doven ze de kaarsen… Het bloedvergieten duurde van de dageraad tot in de middag. De soldaten bedaarden pas toen de grootvizier op de preekstoel van de Heilige Sofia klom en de moordenaars toesprak: ‘Jullie kunnen ophouden. Deze tempel behoort nu aan Allah toe.’ En intussen stond de stad in brand. De soldatenbende hield zich bezig met kruisigen en spietsen. De janitsaren verkrachtten de nonnen (vierduizend in enkele uren) en sneden ze vervolgens de keel af, of ketende de overlevenden om ze op de markt in Ankara te verkopen. En de hovelingen bereidden het Overwinningsmaal, een banket waarbij Mohammed II zich (met maling aan de Profeet) bezatte aan wijnen uit Cyprus. En omdat hij een zwak had voor jongelingen, liet hij de oudste zoon van de Grieks-orthodoxe groothertog Notaras halen. Het was een veertienjarige jongen die bekend stond om zijn knapheid. Voor de ogen van iedereen verkrachtte hij hem, en na deze verkrachting liet hij de andere leden van de familie Notaras halen. Zijn ouders, grootouders, ooms en tantes, neefjes en nichtjes. En voor de ogen van de jongen onthoofdde hij hen, één voor één. Hij liet ook alle altaren vernietigen, de klokken omsmelten en alle kerken veranderen in moskeeën of bazaars. Ja, echt waar. Het was op deze wijze dat Constantinopel Istanbul werd. Of de broeders Accursio van de VN dat nu willen horen of niet.

Drie jaar later, dus in 1456, veroverden ze Athene, waar Mohammed II opnieuw alle kerken en historische gebouwen veranderde in moskeeën. Met de inname van Athene voltooiden ze de verovering van Griekenland, dat ze ruim vierhonderd jaar bezet hielden en verwoestten. Vervolgens vielen ze de Venetiaanse Republiek aan, die in 1476 nog een keer onder vuur lag door de aanvallen op Friuli en vervolgens op het Isonzodal. En dat wat in de eeuw erna gebeurde is niet minder bloedstollend. In 1512 besteeg Selim de Bloeddorstige namelijk de troon van het Ottomaanse Rijk. Nog altijd volgens de wet op de broedermoord, kwam hij aan de macht nadat hij twee broers, vijf neven, verschillende kaliefen en ook nog een onbekend aantal viziers had gewurgd, en het was dit individu dat de man verwekte die de Islamitische Staat Europa wilde stichten: Soliman de Grote. En inderdaad was Soliman nog maar net gekroond of hij stelde en leger samen van bijna vierhonderdduizend man, dertigduizend kamelen, veertigduizend paarden en driehonderd kanonnen. Vanuit het inmiddels islamitisch geworden Roemenië trok hij in 1526 naar het katholieke Hongarije en, ondanks de heldhaftigheid van de verdedigers, hakte hij hun leger in minder dan 48 uur in de pan. Vervolgens bereikte hij Boeda, het huidige Boedapest. Hij stak het in brand, bezette het, en raad eens hoeveel Hongaren (mannen, vrouwen en kinderen) meteen al terechtkwamen op de slavenmarkt die inmiddels in Istanbul geopend was? Honderdduizend. En raad eens hoeveel er het jaar daarna tgerechtkwamen op de markten die concurreeerden met die van Istanbjul, met andere woorden op de bazaars in Damascus, Bagdad, Caïro en Algiers? Drie miljoen. Maar zelfs toen was Soliman nog niet tevreden. Om de Islamitische Staat Europa te verwezenlijken stelde hij daarom een tweede leger met nog eens vierhonderd kanonnen samen en trok in het jaar 1529 van Hongarije naar Oostenrijk. Het ultrakatholieke Oostenrijk, dat zo langzamerhand beschouwd werd als het bolwerk van de christenen. Goed, hij slaagde er weliswaar niet in om het te veroveren (na vijf weken van vergeefse aanvallen, gaf hij er de voorkeur aan zich terug te trekken), maar terwijl hij zich terugtrok, slachtte hij dertigduizend boeren af, die het niet waard waren om verkocht te worden in Istanbul, Damascus, Bagdad, Caïro of Algiers, omdat de prijs van een slaaf veel te laag geworden was door die drie miljoen en honderdduizend Hongaren. Hij was nog maar net terug of hij vertrouwde de reorganisatie van de vloot toe aan de beruchte piraat Khair ed-Din, beter bekend als Barbarossa.

Deze reorganisatie stelde hem in gelegenheid om van de Middellandse Zee een maritiem territorium van de islam te maken, zodat hij zich in 1565 op de christelijke vesting Malta kon storten, nadat hij eerst een samenzwering binnen het paleis verijdeld had door zijn eerste en tweede zoon plus hun zes kinderen, zijn kleinkinderen dus, te laten wurgen. En het maakte niets uit dat hij in 1566 stierf aan een hartaanval. Het maakte niets uit, omdat zijn derde zoon de troon besteeg. In plaats van onder de bijnaam De Grote, stond deze bekend als De Dronkaard. En het was nu net onder Selim de Dronkaard dat generaal Lala Mustafa in 1571 het zeer christelijke Cypus veroverde. Hier beging hij een van de meest schandelijke misdaden, waaraan die zogenaamde Superieure Cultuur zich ooit schuldig heeft gemaakt. Het betrof de marteling van de Venetiaanse patriciër Marcantonio Bragadino, de gouverneur van het eiland. Zoals de historicus Paul Fregosi in zijn opmerkelijke boek Jihad vertelt, begaf Bragadino zich, na het tekenen van de overgave, naar Lala Mustafa om de details van de toekomstige vrede te bespreken. Omdat hij een man was die aan formaliteiten hechtte, ging hij in vol ornaat op weg. Dus op zijn prachtig opgetuigde ros, in zijn paarse toga van de senaat en geëscorteerd door veertig haakbussoldaten in gala-uniform en door de knappe page Antonio Quirini (de zoon van de admiraal Quirini), die een kostbare parasol boven zijn hoofd hield. Maar over vrede werd helemaal niet gesproken. Want volgens het van tevoren uitgedachte plan namen de janitsaren de page meteen gevangen om hem op te sluiten in de harem van Lala Mustafa, die het nog leuker vond dan Mohammed II om jongelingen te ontmaagden. Daarna omsingelden ze de veertig haakbussoldaten om ze vervolgens met hun kromzwaarden in mootjes te hakken. Letterlijk in mootjes. Ten slotte trokken ze Bragadino uit het zadel, sneden hem ter plekke eerst zijn neus en daarna zijn oren af, en dwongen hem zo verminkt te knielen voor de overwinnaar, die het vonnis velde dat hij levend gevild moest worden. Dertien dagen later vond de executie plaats, die werd bijgewoond door alle Cyprioten, omdat ze het bevel hadden gekregen dat ze allemaal aanwezig moesten zijn. Terwijl de janitsaren hem bespotten om zijn neus- en oorloze gezicht, moest Bragadino zakken vuilnis door de stad slepen en elke keer dat hij langs Lala Mustafa kwam, de grond likken. Hij stierf terwijl ze hem vilden. Lala Mustafa beval de huid met hooi op te vullen en er een pop van te maken, die schrijlings op een koe gezet werd en zo nog een keer de stad rondging om vervolgens langs de hoogste mast van het admiraalsschip naar boven gehesen te worden. Ter ere van de islam.

Het maakte verder ook niets uit dat op 7 oktober van hetzelfde jaar de woedende Venetianen met steun van Spanje, de paus, Genua, Florence, Turijn, Parma, Mantua, Lucca, Ferrara, Urbino en Malta tijdens de zeeslag van Lepanto de vloot van Ali Pasja versloegen: het Ottomaanse Rijk was inmiddels machtiger dan ooit, en onder de volgende sultans ging de aanval op Europa ongehinderd door. De moslims kwamen tot aan Polen waar hun troepen maar liefst twee keer binnenvielen: in 1621 en in 1672. Hun droom om de Islamitische Staat Europa te stichten spatte pas uiteen toen de grootvizier Kara Mustafa in 1683 een half miljoen soldaten, duizend kanonnen, veertigduizend paarden, twintigduizend kanonnen, twintigduizend olifanten, twintigduizend buffels, twintigduizend muilezels, twintigduizend koeien en stieren, tienduizend schapen en geiten, plus honderdduizend zakken maïs, vijftigduizend zakken koffie, een honderdtal echtgenotes en concubines bijeenbracht, en met dit alles opnieuw Oostenrijk binnentrok. Nadat hij een enorm kamp opgeslagen had (vijfentwintigduizend tenten plus de zijne, voorzien van struisvogels en fonteinen), belegerde hij Wenen opnieuw. Het is een feit dat de Europeanen in die tijd intelligenter waren dan nu; met uitzondering van de Fransen van de Zonnekoning (die met de vijand een samenwerkingsverdrag had getekend, maar ook de Oostenrijkers had beloofd om niet aan te vallen), snelden ze allemaal toe om de stad te verdedigen, die beschouwd werd als het bolwerk van de christenen. Allemaal: Engelsen, Spanjaarden, Duitsers, Oekraïners, Polen, Genuezen, Venetianen, Toscanen, Piëmontezen en papisten. Op 12 september behaalden ze een buitengewone overwinning, waardoor Kara Mustafa zich genoodzaakt zag te vluchten met achterlating van zijn kamelen, olifanten, echtgenotes, onthoofde concubines…

Kijk, de huidige invasie van Europa is slechts een onderdeel van dit imperialisme. Het gaat er alleen bedrieglijker aan toe. Achterbakser. Want het zijn nu niet Kara Mustafa, Lala Mustafa, Ali Pasja, Soliman de Grote en de janitsaren die er gezicht aan geven. Of beter gezegd, het zij niet alleen Bin Laden, Saddam Hoessein, Arafat, sjeik Yassin en de terroristen die zich samen met wolkenkrabbers en bussen opblazen. Het zijn ook de immigranten die zich in ons land vestigen en ons, zonder ook maar enig respect voor onze wetten, hun ideeën opdringen. Hun gebruiken en hun God. Weet je hoe groot hun aantal is op het Europese continent, dus in het gebied dat zich uitstrekt van de Atlantische kust tot aan het Oeralgebergte? Ongeveer 53 miljoen. Binnen de Europese Unie ongeveer 18 miljoen. (Maar sommige zeggen ook wel 30 miljoen.) Buiten de Europese Unie dus 35 miljoen. En dat is met inbegrip van Zwitserland waar ze meer dan 10 procent van de bevolking uitmaken. Rusland waar het percentage 10,5 procent is. Georgië waar het 13 procent is en Bulgarije war het 15 procent is. En 18 procent op Cyprus, 19 in Servië, 30 in Macedonië, 60 in Bosnië-Hercegovina, 90 in Albanië en 93,5 in Azerbeidzjan. Ze zijn alleen niet goed vertegenwoordigd in Portugal waar ze maar 0,5 procent van de bevolking uitmaken, in de Oekraïne 0,45 procent, in Letland 0,38 procent, in Slowakije 0,19 procent en in Litouwen 0,14 procent. En op IJsland is het percentage maar 0,04 procent. Wat hebben die IJslanders toch een geluk. Maar overal (ook op IJsland) neemt hun aantal zienderogen toe. Niet alleen omdat de invasie onverminderd doorgaat, maar ook omdat de moslims een etnische en religieuze groep vormen die de vruchtbaarste ter wereld is. Een kenmerk dat het gevolg is van polygamie en het feit dat de koran de vrouw vooral als baarmoeder beschouwt.

Als je deze discussie aansnijdt, loop je het risico door de maatschappij verstoten te worden. In het onderdrukte Europa is het onderwerp van de islamitische vruchtbaarheid een taboe dat niemand durft te doorbreken. En als je het wel probeert, beland je wegens racisme-xenofobie-godslastering meteen in de rechtbank. Het was dan ook niet toevallig dat er bij de tenlastelegging in de Parijse rechtszzak een door mij in het Frans vertaalde zin aangehaald werd (een genadeloze zin, dat geef ik toe, maar ook een trefzekere). ‘Ze planten zich voort als ratten.’ Maar in geen enkele vrijheidsonderdrukkende rechtszaak zal ooit datgene ontkend kunnen worden waar zijzelf zo trots op zijn, namelijk dat het aantal moslims de laatste vijftig jaar is toegenomen met 235 procent. (Het aantal christenen daarentegen slechts met 47 procent.) Dat ze in 1996 met 1 miljard en 483 miljoen waren, in 2001 met 1 miljard en 624 miljoen en in 2002 met 1 en 657 miljoen. (De gegegevens van 2003 ontbreken nog, maar ik veronderstel dat ze, doordat er ieder jaar 33 miljoen personen bij komen, minstens het aantal van 1 miljard en 690 miljoen bereikt hebben.)

Geen enkele vrijheidsonderdrukkende rechter zal ooit de door de VN verschafte gegevens kunnen ontkennen dat de groei van de moslimbevolking schommelt tussen de 4,6 en 6,4 procent per jaar. (De bevolkingsgroei onder christenen is slechts 1,4 procent.) Om in te zien dat dit waar is, hoef je alleen maar te bedenken dat de islamitische delen van de voormalige Sovjet-Unie het dichtsbevolkt zijn, en Tsjetsjenië is daar het beste voorbeeld van. Je hoeft alleen maar te bedenken dat de bevolking van Kosovo in de jaren zestig voor 60 procent uit moslims bestond. In de jaren negentig werd dat percentage 90 procent. en tegenwoordig is het 100 procent. Geen enkele vrijheidsonderdrukkende wet zal ooit logenstraffen dat juist dankzij die enorme vruchtbaarheid van de jaren zeventig en tachtig, de sjiieten Beiroet hebben kunnen bezetten en de christelijke-maronitische meerderheid de macht hebben kunnen ontnemen. En er zal al helemaal niet ontkend kunnen worden dat moslimbaby’s in de Europese Unie ieder jaar 10 procent van de pasgeborenen vormen, dat ze in Brussel de 30 procent en in Marseille de 60 procent bereiken, en dat het percentage in verscheidene Italiaanse steden dramatisch stijgt. Het gevolg is dan ook dat het huidige aantal van vijfhonderduizend kleinkinderen van Allah in Italië in 2015 verdubbeld zal zijn tot minstens 1 miljoen. Maar bovenal hoef je maar te denken aan de woorden die Boumedienne (de man die Ben Bella drie jaar na de onafhankelijk van Algerije met een staatsgreep van de troon stootte) in 1974 in de assemblee van de VN sprak: ”Op een dag zullen miljoenen mensen het zuidelijk halfrond verlaten om het noordelijk halfrond binnen te dringen. En ze zullen dat zeker niet als vrienden doen. Want ze zullen het noordelijk halfrond binnendringen om het te veroveren. Ze zullen het veroveren door het te laten bevolken door hun kinderen. Het zal de baarmoeder van onze vrouwen zijn die ons de overwinning zal brengen.’

Dat wat hij zei was niet nieuw en al helemaal niet geniaal. De Politiek van de Baarmoeder, of de strategie om mensen naar andere landen te sturen en ze daar grote hoeveelheden kinderen te laten baren, is altijd al de gemakkelijkste en veiligste methode geweest om je een gebied toe te eigenen, een land te overheersen en een ander volk te vervangen of te onderdrukken. Vanaf de achtste eeuw heeft deze strategie het islamitisch imperialisme altijd gekenmerkt. (…)

(…) Maar we hebben ze een nog veel waardevoller water verkocht. Water dat net zo onontbeerlijk is als het water in de rivieren en bronnen. Water dat een volk nodig heeft om niet uit te drogen als een boom die nooit een druppel regen krijgt en die na verloop van tijd verdort. Hij verliest zijn bladeren, krijgt geen bloemen of vruchten, verliest ook zijn wortels en verandert in brandhout. Ik heb het over het water van onze cultuur. Het water van onze principes, onze waarden en onze verworvenheden. Het water van onze taal, onze godsdienst of ons laïcisme, en onze geschiedenis. Het water van ons bestaan, onze onafhankelijkheid en onze beschaving. Het water van onze identiteit.

Ja, dát water hebben we wel aan ze verkocht. En we verkopen het al dertig jaar lang, dag in dag uit. Steeds meer en meer, met dezelfde voldoening als die van zelfmoordenaars en slaven. We verkopen het via onze slappe, onbekwame, huichelachtige en met iedereen meepratende regeringen. We verkopen het via de oppositie, die haar seculiere en halfbakken revolutionaire verleden verloochent. We verkopen het via de zogenaamde gerechtelijke autoriteiten, de ijdele en publiciteitsbeluste rechters. We verkopen het via kranten en televisiezenders die, uit eigenbelang, lafheid of kwaadaardigheid, de ideeën van die Politiek Correcte ellendelingen verbreiden.

We verkopen het via de katholieke kerk, die de koers is kwijtgeraakt, en van vroomheid, tolerantie en slachtoffergevoel een heel cirsus gemaakt heeft. (Het zijn de katholieke instellingen die het beheer hebben over de staatsuitkeringen voor de immigranten. Het zijn de katholieke instellingen die protest aantekenen tegen de uitzettingen, ook als het om iemand gaat die op heterdaad betrapt is met explosieven of drugs. Het zijn de katholieke instellingen die zich toeleggen op het verlenen van politiek asiel, de nieuwe invasietechniek. Vraagje: politiek asiel was toch bedoeld voor politieke vluchtelingen?!?)

We verkopen het ook via de professortjes uit de academische wereld, de historici of vermeende historici, de filosofen of vermeende filosofen, de geleerden of vermeende geleerden, die allemaal al dertig jaar lang onze cultuur afkraken teneinde de superioriteit van de islam aan te tonen. Maar we verkopen het vooral via de handelaren van de beleggingsclub, die tegenwoordig Europese Unie heet en vroeger EEG heette. Want tegelijk met de uitwisseling van menselijke handelswaar en olie – jij-geeft-mij-olie-en-ik-neem-menselijke-handelswaar-af-, werd er in de Resolutie van Straasburg nog iets anders geëist, weet je nog wel?

Het ging om de eis om ‘je lovend uit te laten over de bijdrage die de Arabische cultuur aan de ontwikkeling in Europa geleverd heeft’. Samen met de rechten ‘die gelijkwaardig moeten zijn aan die van autochtonen’, werd er door de Conventie van Caïro nog een ander recht genoemd, weet je nog wel? Het recht van de moslimimmigranten om ‘hun eigen cultuur te promoten en te verbreiden’. Met andere woorden: twee bepalingen waardoor de islamisering van Europa van start kon gaan. En waardoor Europa veranderd kon worden in Eurabia. Om die bepalingen in de praktijk te brengen, wendden de handelaren van de EEG zich niet alleen tot journalisten, filmmakers, uitgevers, ijdele rechters en zo, maar ook tot de professortjes waar ik het net al even over had. Ze haalden ze uit de schaduw van hun nietig bestaan, uit de schaduw die er in ieder geval voor gezorgd had dat ze graag wilden meewerken, en begonnen met elkaar aan de realisering van het tweede gedeelte van de Samenzwering.

The Euro-Arab Dialogue and The Birth of Eurabia (Engels)

The Euro-Arab Dialogue and The Birth of Eurabia (Engels)

Door: Bat  Ye’or

Bat Ye’or is the author of The Dhimmi: Jews and Christians under Islam (1985/2003); The Decline of Eastern Christianity under Islam. From Jihad to Dhimmitude (1996/2002); Islam and Dhimmitude. Where Civilizations Collide, Fairleigh Dickinson University Press, 2002/2003). This article is an English translation of “Le Dialogue Euro-Arabe et la naissance d’Eurabia” in Observatoire du monde juif, Bulletin n° 4/5, Décembre 2002, pp.44-55, (78 avenue des Champs Elysées, 75008 Paris).

In 2001 a wave of Judeophobia swept violently over Europe; it coincided with the intensification of the al-Aqsa intifada from September 30, 2000. This simultaneity was not fortuitous. In Europe, governments, some of the Churches, and most of the media in fact approved of the 2nd intifada, using fine moral terms for what was a strategy of terror by the Palestinian leadership. The justification and negligence displayed toward these criminal aggressions amounted to an encouragement. The elimination of terrorist leaders was described as ‘assassination’ and the Hamas and other terrorists became  ‘fighters for freedom’ and ‘activists’. While Hamas was translated as a ‘Resistance’ movement, Israel was accused of ‘state terrorism’. Especially in France this condemnation sanctioned the criminal acts committed mainly by immigrants of Arab-Muslim origin, against individuals and Jewish community  property. Even in 2003 the French government still refused to place Hezbollah on the list of terrorist organizations, Socialist Prime Minister Lionel Jospin was sharply reprimanded by President Chirac for having said that Hezbollah was a terrorist organization.

The convergence between the specific policies of the European Union (EU) and the Palestinian Authority which it greatly finances, as well as with those policies of the Arab countries, seem to be the result of a long-term process. With slight nuances, the anti-Israel discourse that is heard simultaneously on both shores of the Mediterranean shows identical characteristics. This twenty-first century Judeophobia is rooted in a transnational European structure, born of a historical context and the Euro-Arab policy of the last thirty years. The European populations however remain, grosso modo, unconcerned even if the media have for decades subjected them to an ideology that demonized Israel.

Thus, Europeans run considerable risks of becoming both the toy and the victims of religious hatred, as well as of political and economic interests masked by the Arab-Israel conflict that is intentionally blown out of all proportions in order to hide the global jihad that also targets them. For the ideological structure of this new Judeophobia is imported from the Arab-Muslim world, even if it is expressed in the framework of a European discourse by three sectors:  the political parties, the media, and the religious sector.

As will be seen below, the development of the Euro-Arab Dialogue brought considerable modifications in European societies. It has relayed Muslim Judeophobic anti-Zionism, anti-Americanism and its hatred of the West. It has facilitated the irrepressible Arab ambition to Islamize Europe, its history, and its culture – an ambition that some Islamist leaders, for example, are voicing in the very heart of London. Moreover, the strategy of the Dialogue urged the glorification of ‘Palestinity’, the vilification of Israel, the growing separation between Europe and America, and the flourishing of an imaginary version of Islamic religion, history and civilization in Western public opinion. It forced Europe to revise its interpretation of its own identity and history in order to harmonize them with the Islamic vision of Europe, and by this process, to undergo a self-inflicted Islamization.

The oil embargo:  The trigger

After World War II, France – humiliated by the Vichy collaborationist government and the loss of its colonial empire – saw any ambitious role it may have had as a great power sharply reduced. The Franco-German union provided Charles de Gaulle with the means to ensure peace in Europe by reconciling traditional enemies, while in the 1960s the alliance with the Arab world enabled France – at an international level – to challenge American power. De Gaulle’s economic and strategic policy aimed at uniting the countries around the Mediterranean in an inter-dependent industrial bloc opposed to America. To achieve this plan, France strove to build an alliance with the Arab states. Hostility toward America and Israel was not only fed by the communist and leftist trends, but also by the heritage of pro-Nazi collaborators from the French Vichy regime, which had survived in the post-war decades, and permeated the French administration up to the highest ranks.

After the 1967 Six-Days war, France became the instigator of a European anti-Israel policy. She did not readily forgive Israel for its lightning victory over a coalition comprising Egypt, Syria, Jordan and the Palestinians – and supported by the entire Arab world. At international forums France voted in favour of Arab anti-Israel resolutions and backed a unilateral boycott of arms sales to the Jewish state (1969). At the European level, French diplomacy supported Arab interests, setting out to bend European policy in a pro-Arab, anti-Israel direction. In this context, France examined the concept of a Euro-Arab Dialogue (EAD) with Libya. (1)

The joint Egyptian-Syrian war against Israel in 1973 and the Arab oil embargo, utilized as a weapon of world pressure, favored French schemes. Mortified by the Arab defeat after a successful beginning, the Arab oil-producing countries met in Kuwait (October 16-17 ), where they decided unilaterally to quadrupled the price of oil, to reduce gradually by 5% each month their production of crude oil until the withdrawal of Israel from the territories the Arab had lost in their war of 1967 and failed to recover in their 1973 war. They imposed an embargo on deliveries destined to the countries considered friendly to Israel: the United States, Denmark, and the Netherlands. The consuming countries were classified as friendly, neutral, or enemy countries.

Panicked, the nine countries of the European Economic Community (EEC) immediately met in Brussels on November 6,1973 and tabled a joint Resolution based on their dependence on Arab oil; this Resolution was totally in line with the Franco-Arab policy in respect of Israel. (2)

The EEC introduced three new points in the Brussels resolution: 1. The inadmissibility of acquiring territory by force, already theoretically stated in UN Security Council Resolution 242;  2. An Israeli withdrawal to the lines of the 1949 armistice;  3. Inclusion of ‘the legitimate rights of the Palestinians’ in the definition of peace.

The first proposal seemed admirable but absurd since all territories were acquired by force. What constituted the legitimacy of states? Ottoman Palestine had been conquered by force in 1917 by the British. In the 1948 war against Israel, Egypt took Gaza by force and Abdullah’s Arab Legion had occupied Judea and Samaria by force, as well as the Old City of Jerusalem and the Hebrew University on Mt. Scopus, expelling all their Palestinian Jewish inhabitants. Moreover, all the countries that today are called Arab were originally conquered by Arab jihad armies. Were all these land conquests, imposed by force and war, also unacceptable? What criteria would determine the irreversibility of a conquest and an injustice – the occupation of land or its liberation? Did their indigenous non-Muslim populations “occupy” Spain and Portugal, Sicily, Greece, Bulgaria, Yugoslavia, Romania and Armenia lands, or were they population of countries freed from dhimmitude? Is the State of Israel the legitimate expression of a free people, whose land had been Arabized and Islamized by one of the cruellest form of persecution against its indigenous Jewish population after the Roman-Byzantine occupation, or an injustice because it has suppressed this persecution and neutralised the evil power of the persecutors?

On the second point, Europe obligingly adopted the Arabs’ denial of their own defeat in 1967, a war that they themselves had triggered after the 1948 invasion to eradicate Israel. In this way, the EEC set the seal on the Arab-Islamic interpretation of Resolution 242, because in fact this Resolution in its original and authoritative English version only refers to withdrawal from territories, an intentional choice of words on the part of those who conceived it. Judea and Samaria were not, henceforth, described as territories open to negotiation but as ‘occupied Arab territories’ that Israel had to evacuate immediately. But these territories had also been conquered by force in the 1948 war unleashed by Arab states. The combined Syrian, Jordanian and local Arab forces that seized them had also expelled all their Jewish Palestinian inhabitants and had confiscated all their land, houses and property.

The third point of the Resolution introduced an innovation into the Middle East conflict that would prove dramatic for Europe in the future. Until 1970, the expression “Palestinian people” did not exist in this context. People talked only about the Arabs in Palestine who were no different from Arabs in the twenty countries of the Arab League, particularly from the Arabs in Transjordan, that is to say from 78 per cent of the League of Nations designated Palestine. Great Britain detached this vast area in 1922 and created an exclusively Arab country, the newly named Emirate of Transjordan.

UN Security Resolution 242 recommended a solution to the refugee problems, which also implied the more numerous Jewish refugees who had fled from Arab lands, abandoning all their possessions. The creation of a “Palestine people” ex nihilo after the Arab oil embargo in 1973, would lead Europe to create its legitimacy, its history and a right – equivalent and even superior to Israel’s – by resurrecting the theology of replacement, constantly nourished with propaganda demonizing Israel in order to justify its demise. This directed Europe along a path of active solidarity with the Arab policy of Israel’s elimination that involved the encouragement and legitimization of international terrorism embodied by the PLO.

The formation of an Euro-Arab Economic and Political bloc

The EEC’s anti-Israel decision met the Arab conditions to open a dialogue with Europe, and it was rewarded by an immediate increase in oil supplies. Born of the oil embargo, the Euro-Arab Dialogue was set up from the start as a trade-off: the EEC countries undertook to support anti-Israel Arab policy, while in exchange they would benefit from economic agreements with the Arab League countries.(3) The Arab side demanded a European political commitment against Israel, subordinating the economic aspect of the dialogue to the political context of the Arab war against Israel. The economic domain was thus integrated within Euro-Arab political solidarity against Israel.

President Georges Pompidou, and Chancellor Willy Brandt confirmed the wish for a Dialogue at their meeting on November 26-27, 1973. Less than a month later the French president called a summit on December 15, 1973 in Copenhagen to examine the Middle East crisis and lay down the bases for cooperation between the Arab League countries and the EEC countries. Four Arab foreign ministers, invited to monitor the project, suggested various schemes

On June 10, 1974 the foreign ministers of the nine countries of the EEC, meeting in Bonn within the framework of political cooperation, adopted a text that specified the areas and means of developing their cooperation and their relations with the Arab countries. The areas involved were agriculture, industry, sciences, culture, education, technology, financial cooperation, and the civil infrastructure, etc.

In the course of the meetings that followed, the foreign ministers of the Nine laid the foundations of this cooperation with the Arab countries, according to an institutionalized structure linked to the highest authorities of each of the EEC countries. This formula made it possible to harmonize and unify the policy of the European Communities in their exchanges and their cooperation with the Arab League countries.

On July 31, 1974 in Paris, the first official meeting at ministerial level took place between the Kuwaiti foreign minister, the secretary-general of the Arab League, the president of the commission of the European Communities and the current president of the Community in order to discuss the organization of the Dialogue. The Parliamentary Association for Euro-Arab Cooperation was then founded by the nine countries of the European Community with a view to strengthening the political, cultural and economical co-operation between Europe and the Arab world. All the major trends in European politics were represented in its Executive Committee that since met regularly every six months

The Damascus Conference (September 14-17, 1974), organized by the inter-parliamentary Association of Euro-Arab Cooperation, brought together the members representing all the parliamentary parties of the EEC, except Denmark. The Arabs set out the political preconditions for agreements on economic cooperation with the western European countries. The economic area that interested the EEC was conditioned by the Arabs’ political demands concerning the Middle East in accordance with the principle of barter, a fundamental principle of the Dialogue. The Arabs demanded:

  1. The unconditional withdrawal of Israel to the 1949 armistice lines;
  2. The Arabization of the Old City of Jerusalem which had been seized by force in 1948 and from which all the Jews had been expelled;
  3. The association of the PLO and its leader Arafat in any negotiations. (4)
  4. Pressure to be brought to bear on the United States by the EEC in order to bring it nearer to Arab policy and detach it from Israel.

The political aspect as an indispensable condition of the Dialogue was confirmed at the 7th Summit of the Arab Conference a month later (Rabat, October 1974). There it was recalled that the Euro-Arab Dialogue had to develop within the context of the “Declaration” of the 6th Summit of the Arab Conference in Algiers transmitted to Europe on November 28, 1973, which established the Arab political requirements concerning Israel. (5) For the Arabs, the Dialogue had to continue until its objectives were achieved. The political and economic aspects of this Euro-Arab cooperation were considered by them as interdependent

A permanent secretariat of 350 members assigned to Euro-Arab cooperation was then created with its seat in Paris. The Euro-Arab Dialogue was structured into various committees charged with planning joint industrial, commercial, political, scientific, technical, cultural and social projects.

On June 10, 1975, a delegation from the European Economic Community (EEC) met with a delegation from twenty Arab countries and from the PLO based in Cairo. More than thirty countries were represented by a general committee at ambassadorial level and by numerous experts. The EEC and the secretariat of the Arab League were represented at the political level. The Jordanian spokesman of the Arab delegation, M. Nijmeddin Dajani, stressed the political aspect and implications of the Euro-Arab Dialogue. The deal between the two parties was clearly defined:  economic agreements with Europe in exchange for European alignment with Arab policy on Israel.

A Joint Memorandum of the Mixed Committee of Experts gave a first formulation of the general principles and aims of the Euro-Arab Dialogue.

In the course of the Luxembourg meeting a year later (May 18-20, 1976), the organization and procedure of the Euro-Arab Dialogue were defined and published in Appendix 4 of the final Communiqué. The Dialogue was composed of three organs:  1)  the General Committee;  2)  the Working Committees;  3)  the Political Committee.

The General Committee consisted of the delegates of both sides, comprising officials of ambassadorial status, members of the League of Arab States and of the European Communities, of the general secretariat of the League of Arab States and of the Commission of the European Communities, as well as the co-presidents and rapporteurs of the Working Committees. The heads of the Arab and European delegations held the presidency of the General Committee jointly. The Committee was the central body of the Dialogue, and was in charge of the general conduct of the Dialogue as well as monitoring its developments in the different areas. It was responsible for its establishment, and for directing it toward the assigned political, cultural, social, technological and economic goals, as well as approving the program of the Dialogue and of its tasks. The varied commitments of the Committee were specified. Its sittings took place behind closed doors and without recorded minutes. At the end of each meeting the General Committee could publish a summary of the decisions taken and a common press release. (6)

The composition of the Working Committees followed the same principle:  each group comprised experts and specialist technicians from the two sides, as well as representatives of the general secretariat of the League of Arab States and the Commission of the European Communities. Each of the two Arab and European groups appointed a president for each Working Committee. The Working Committees proceeded according to the instructions given by the General Committee concerning their mandates. Each Working Committee could create specialized sub-groups whose experts were chosen in conjunction with the general secretariat of the League of Arab States and the Commission of the European Communities.

The Coordinating Committee was composed of representatives of the General Committee and of the general secretariat of the League of Arab States and of the European presidency, with the two parties presiding jointly. The Committee was responsible for coordinating the work of the various working parties under the direction of the General Committee. All information and documentation was transmitted by the general secretariat of the League of Arab States and the Commission of European Communities.

This briefly summarized structure established a symbiosis, an inter-penetration of Arab and European policies, requiring the involvement of the European states at the highest level. It is clear that Europe’s hostile policy to Israel – standardized by the structures of the EEC – is not the result of mistaken judgements, of prejudices capable of being corrected. It rests on a politico-economic construction, meticulously prepared down to the smallest detail, and rooted in its multiform symbiosis with the Arab world.

In the years that followed, this collaboration was strengthened by meetings every six months and by various activities on an international scale: (Rome, July 24,1975; Abu Dhabi, November 27,1975; Luxembourg, May 18-20, 76; several meetings in Brussels in 1976; Tunis, February 10-12, 1977). The European members of the permanent secretariat of the Association for Euro-Arab Cooperation ( PAEAC) travelled frequently to the United States to attempt to influence America policy in favour of the PLO’s claims, and against Israel. The Arabs demanded that Europe recognise Yasser Arafat as the Palestinian leader and a Palestinian state, the implementation of an international boycott of Israel, and a strategy of worldwide political and economic pressure in order to force the Jewish state to withdraw to the 1949 armistices lines. The Working Committee studied suitable methods to condition European and world public opinion to persuade it to support the PLO, whose Charter required the elimination of the State of Israel. According to Saleh al-Mani:

Despite the failure of the EAD, to result in recognition of the PLO the latter was, nevertheless, one of the most active supporters of the EAD. The PLO may have wanted to use the EAD as a channel for airing its demands, and in this regard it may have been successful.

Although failing short of achieving formal recognition for the PLO the EAD did, however, succeed in persuading the Europeans of the need to established a “homeland for the Palestinians” and in “associating” the PLO with future negotiations on the Middle East. Thus the EAD has served certain limited Arab objectives. (7)

This comment by al-Mani confirms the direct connection between the PLO and the EEC’s economic transactions. In a speech on 26 August 1980, after describing the PLO’s terrorist war in Lebanon, Beshir Gemayel – Lebanon’s future President-elect – denounced its disastrous role in Europe:

This is a recapitulation of the doings of those people [PLO] on whose behalf the chancelleries of the civilized world are striving throughout the year, and for whose favours the old nations of Europe are competing.  (8)

It is clear that the PLO played a crucial role in the exchange of economic benefits that the Arab countries granted to Europe in return for political support in their war against Israel. EAD meetings concluded with declarations by the European delegation in line with those of Arab policy (London, June 9, 1977; Brussels, October 26-28, 1978): Israeli withdrawal to its 1949 borders, Israel’s obligation to recognise the national rights of the Palestinians; the invalidation of all measures and decisions taken by Israel in the territories outside of the 1949 lines, including Jerusalem. Judea and Samaria are described as ‘occupied Arab territories’.

The Israeli-Egyptian peace negotiations at Camp David (1977-78) under the wing of American president Carter, put a damper on the EAD, while the Arab League totally rejected them and expelled Egypt from its ranks. The Arab countries were furious with the success of American influence in the region to the detriment of the European diplomacy that they tried to control through economic cooperation. France abstained from recognising the peace agreements, whereas the other EEC countries accepted them, but – at French instigation – with reservations.

Meanwhile, the EAD resumed its activities and the 4th meeting of the General Committee in Damascus (December 9-11, 1978) approved the creation of a Euro-Arab center in Kuwait for the transfer of technology.

The Birth of Eurabia: a new political entity

Eurabia is the title of a review edited by the European Committee for Coordination of Friendship Association with the Arab World (Paris). It was published with the collaboration of Middle East International (London), France-Pays Arabes (Paris) and the Groupe d’Etudes sur le Moyen-Orient (Geneva).

In its second issue (July 1975), Eurabia published the resolutions passed unanimously at Strasbourg by the general assembly of the Parliamentary Association for Euro-Arab Cooperation on June 7-8, 1975. Membership of this Association comprised more than 200 Members of Parliament from western European countries, representing all shades of the political spectrum. In other words, the consensus for the program of Euro-Arab entente covered the whole of the European political scene.

Eurabia specified in its editorial:  “the necessity for a political entente between Europe and the Arab world as a basis for economic agreements”, and the obligation on the part of the Europeans to “understand the political as well as the economic interests of the Arab world”. The Euro-Arab Dialogue had to express “a joint political will” [emphasis by the author]. This preliminary condition for any economic agreements with Arab League countries necessitated the creation in Europe “of a climate of opinion” favorable to the Arabs. The editorial stressed that this question had been examined by a large number of experts from the Association de Solidarité Franco-Arabe (Association of Franco-Arab Solidarity) and from the general assembly of the Parliamentary Association for Euro-Arab Cooperation in Strasbourg:

If they really want to cooperate with the Arab world, the European governments and political leaders have an obligation to protest against the denigration of Arabs in their media. They must reaffirm their confidence in the Euro-Arab friendship and their respect for millennial contribution of the Arabs to world civilization. This contribution and its practical application will be one of the themes of our next issue. (Editorial)

Arab political demands concerning the conditions of the Dialogue were not limited exclusively to Israel. They also concerned Europe. M. Tilj Declerq, Belgian member of the Parliamentary Association for Euro-Arab Cooperation, submitted a study on the conditions of this cooperation to the economic commission of this Association. It was summarised in the second issue of Eurabia  (July 1975) and entitled, ‘A European point of view’.

Declerq emphasis that “Euro-Arab cooperation must result from a political will. “The political interests of this cooperation must therefore be recognized.” In other words, economic exchanges were subordinate to the EEC’s support of the Arabs League’s war to destroy Israel. As far as Europe was concerned, the Belgian speaker advocated economic cooperation associating Arab manpower reserves and raw materials – probably oil – with European technology.

A medium and long-term policy must henceforth be formulated in order to bring about economic cooperation through a combination of Arab manpower reserves and raw materials and European technology and “management”.

This clause could have been at the origin of the massive Arab immigration into Europe from 1975 onwards which seems to have been connected to the EEC’s economic agreements with the Arab world. According to Declerq, recycling petrodollars was to bring about the interdependence of Western Europe and the Arab countries in order “gradually to reach as complete as possible an economic integration”. But this Euro-Arab economic integration would remain theoretical if the political aspect – that is to say the battle against Israel – was not achieved. Therefore, “A genuine political will must be at the base of concrete plans for cooperation and must be demonstrated at three levels:  the national level;  the level of the continent; at world level.” From the same point of view, “Euro-Arab cooperation and solidarity had to be brought about through international organizations and international conferences.” Joint Euro-Arab preparatory meetings and symposiums had “to be multiplied at every level – economic, monetary, commercial, etc. – in order to reach common positions.”

Declerq’s proposals were all integrated into the resolutions of the Parliamentary Association for Euro-Arab Cooperation when it met in Strasbourg (June 7-8, 1975), and were published in Eurabia. The political section of the resolutions targeted three areas: European policy on Israel; the creation of a climate of opinion favorable to the Arabs; the reception of Muslim immigrants into Europe.

Concerning Israel, the Association went along with Arab demands and called for Israel’s withdrawal to the 1949 armistice lines, deliberately misinterpreting Resolution 242. In addition, the Association called on European governments to recognize the PLO as the sole representative of the Palestinian Arabs, a fundamental point that they had to stress in the initiatives that a joint Euro-Arab policy required of them. The EEC had to force Israel to accept the rights of a Palestinian nation and the existence of a Palestinian state on the whole of the “West Bank” of the Jordan, and in Gaza.

Concerning Europe, the Association called for news coverage more favorable to Arab causes and special conditions for immigrants.

            The Association requires European governments to arrange legal provisions concerning the free movement of, and respect for, the fundamental rights of immigrant workers in Europe: these rights must be equivalent to those of national citizens.

            The Association considers the political settlement of the Arab-Israeli conflict an absolute necessity for the establishment of a real Euro-Arab cooperation.

In the same paragraph, the Association considers that “the harmonious development of cooperation between Western Europe and the Arab nation” would benefit from the free circulation of ideas and citizens. The economic resolution expressed a concern about the political choices that:

had been prejudicial to Euro-Arab cooperation, such as the creation of the International Energy Agency and the signature of an agreement between the EEC and Israel, before the negotiations between the EEC and the Arab countries had been completed. On this subject, it made a formal request that economic cooperation between the EEC and Israel should not apply to the occupied territories.

Eurabia: a new cultural entity

The cultural resolution contained several statements, including the following:

Recognizing the historical contribution of Arab culture to European development;

Stressing the contribution that the European countries can still expect from Arab culture, notably in the area of human values;

The Association called for the teaching of the Arabic language and culture to be expanded in Europe:

Desiring that European governments facilitate, for the Arab countries, the creation of generous means to enable immigrant workers and their families to participate in Arab cultural and religious life.

The Association appealed to the press, to friendship groups and for tourism to improve public opinion regarding the Arab world. It:

asks the governments of the Nine to approach the cultural sector of the Euro-Arab Dialogue in a constructive spirit and to accord the greatest priority to spreading Arab culture in Europe.

asks the Arab governments to recognize the political consequences of active cooperation with Europe in the cultural domain.

The Resolution ended with a condemnation and a criticism of Israel.

While recognizing the State of Israel’s right to exist, [it] condemns the Zionist wish to substitute Jewish culture for Arab culture on Palestinian territory, in order to deprive the Palestinian people of its national identity;

Considering that by carrying out excavations in the holy places of Islam – the occupied part of Jerusalem – Israel has committed a violation of international law, despite the warning of UNESCO;

Considering that the excavations could only result in the inevitable destruction of evidence of Arab culture and history;

Regrets that UNESCO’s decision not to admit Israel into its regional grouping should have been exploited, sometimes with a great lack of objectivity.

The Strasbourg meeting was followed a few days later (June 10-14, 1975) by a symposium of the Mixed Committee of Experts in Cairo for a first formulation of the general principles and objectives of the Euro-Arab Dialogue. The introduction to the joint memorandum of this meeting specifies that:

The Euro-Arab Dialogue is the fruit of a common political desire which emerged at the highest level and which aims to establish special relationships between the two groups.

The two parties recalled that the Dialogue originated in their exchanges at the end of 1973, and, particularly, the declaration made by the nine States members of the European Community on November 6, 1973 concerning the situation on the Middle East well as the declaration addressed to the Western European countries by the 6th Summit conference of Arab counties in Algiers, on November 28, 1973.

The areas of cooperation listed in the memorandum include cooperation in nuclear technology, finance, banking and capital management, business, scientific research, technological development, technical and professional training, the utilization of nuclear power, the building of cities infrastructures, planning, industrialization, transportation, urbanization, health, education, telecommunication, tourism, etc. The training of specialist personnel for the numerous projects envisaged would take place “either by sending teams of European experts with a view to training the Arab workforce, or by training this workforce in establishments Centers in the EEC countries”. The intention was to set up “effective [cooperation] and exchange of information between Arab and European universities” in research procedures, various programs and projects.

The section on “Cooperation in the fields of culture and civilization” stressed that the principal objective of the Euro-Arab dialogue was to bring closer two civilizations that have contributed considerably in enriching the patrimony of humanity. They consider that their cooperation in the area of culture and civilization should englobe education, the arts, sciences and information; and they affirmed that the principal objective of such a cooperation was the consolidation and deepening of the bases of cultural understanding and of an intellectual rapprochement between the two regions

Various measures were envisaged, like the exchanges of experts, and the development of contacts in the fields of education and tourism. Lastly, the problems of the workforce of emigrant workers had to be settled by equality of treatment concerning: 1) employment situation; 2) working and living conditions; 3) social security systems. (9)

After almost three decades, one may ask: what was the impact on the European continent of this policy, which brought theoretically independent sectors – the economy, immigration, politics and culture – into one single block linked to the Arab world and its anti-Israeli/antisemitic paranoia?

The Spiral:  Arab instrumentalization of the European Community

In this correlation between the economic and the political sectors, the difference in viewpoints between the EEC’s perspectives and those of the Arab League are immediately apparent. The EEC is looking for economic gain, profit, through a strategy of expansion in the oil, commercial, and industrial markets. Its actions are characterized solely by a business-like pragmatism on the part of management technocrats who formulate programs of assistance and regional development, as well as massive sales of arms and industrial and nuclear equipment (e.g. the Osirak nuclear reactor in Iraq destroyed by Israel in 1981) in pursuit of profit.

The Arab faction, on the other hand, exploited the economy as a radical means to make the EEC an instrument in a long-term political strategy targeting Israel, Europe and America. The Arab political grip on the EEC’s economy would rapidly impose on it the Arab political directives vis-à-vis Israel. One of the Arab delegates, Dr Ibrahim A. Obaid, Director-General, Ministry of Petroleum and Mineral Resources from Riyad (Saudi Arabia), aptly expressed the spirit of the Dialogue, when the experts of Euro-Arab Cooperation met in Amsterdam in 1975:

Together and as equals, the Europeans and the Arabs can through a “strategy of inter-dependence” forge ahead to remove the thorn from their sides – the Israeli problem – and attend to the Herculean task ahead of them. (10)

The economic agreements between the EEC and the Arab world went beyond the sphere of trade treaties and led to Europe’s progressive subjection to Arab political objectives. The EAD became – particularly for France – an associative diplomacy in the international forums, where the EEC fell into line with Arab anti-Zionist positions. A vehicle for legitimizing the PLO and for its propaganda, the EAD procured for it international, diplomatic recognition and conferred respectability and international standing on Arafat and for his international terrorist movement. It was within the framework of the EAD that the whole war policy of delegitimazion against Israel was constructed at the national and international levels of the EEC, in the trade unions, the media, and the universities. The EAD was the mouthpiece that spread and popularized throughout Europe the demonization and defamation of Israel. France, Belgium and Luxemburg were the EAD’s most active agents.

In Europe, Arab strategy was mainly directed toward three goals:

attaining economic and industrial parity with the West by the transfer to Arab countries of modern technology, particularly nuclear and military technology;

implanting on European soil of a large Muslim population, which would enjoy all the political, cultural, social and religious rights of the host country;

imposing the political, cultural and religious influence of Arab-Islamism on European space through an immigration which remained politically and culturally attached to its countries of origin.

The EAD also served the Arab League as a channel to apply pressures on America via Europe to persuade it to align itself with Arab policy on Israel. At the geo-strategic level, Euro-Arab cooperation was a political instrument of anti-Americanism in Europe, aiming to separate and weaken the two continents by instigating mutual hostility between them and by constant denigration of American policy in the Middle East.

The fact that the import of Islamic manpower into Europe was synchronized with the expansion of European markets in Arab countries made it possible for several million Muslim immigrants to arrive without hindrance. The speed and scale of this operation was unique in history. Even in the course of the European colonization, the emigration of Europeans to the colonies took place at an infinitely slower pace. The number of European colonists, including their descendants, even after a maximum of one or two centuries, was incomparably lower than that of present-day Muslim immigrants in each of the countries of Europe after only three decades.

The political laxity of the European governments was worsened by the permission granted to Arab countries to export their culture and their mores together with their population (EAD Declaration, Damascus, September 11, 1978).

University of Venice Seminar:  1977

The Arab cultural implantation into Europe, was bound-up with the immigration – that is to say the transfer of millions of Muslims from Africa, the Middle East and Asia, together with their original culture – into the host countries. This cultural Arabization/Islamization had already been planned at the University of Venice (March 28-30, 1977) by the Euro-Arab Seminar on Means and Forms of Cooperation for the Diffusion in Europe of the Knowledge of Arabic Language and Literary Civilization.

The Seminar was organised by the Instituto per l’Oriente in Rome and the Arabic literature section of the Foreign Languages faculty of the University of Venice. The participants came from 14 universities in Arab countries, 19 Arabists from European universities, numerous other personalities connected with the Muslim world, as well as the representative of the Pontifical Institute of Arab Studies in Rome (Pontificio Istituto di Studi Arabi e d’Islamistica). The seminar was integrated into the Euro-Arab Dialogue, meaning it had the approval of the President of the EEC, the secretary of the Arab League and the foreign ministers of every country represented in the European Community. The Arab participants represented Algeria, Saudi Arabia, Egypt, Iraq, Jordan, Qatar, Sudan and Tunisia. (11)

Among the subjects broached during the four working sessions, the European rapporteurs presented their reports on the diffusion and knowledge of Arabic and of Arab civilization in their respective countries. The Arab delegates, for their part, described the simplified methods of teaching Arabic to non-Arabs practised in their countries. The seminar ended with the adoption of a number of Recommendations. They cannot all be listed here, but the general tenor advocated creating in European capitals centers for the diffusion of the Arab language and culture in every European country in coordination with the Arab countries. This project envisaged appointing to European institutes and universities Arab professors, who were specialists in teaching Europeans.

The participants in this Seminar unanimously forward the following recommendations for consideration by the governments of the member states of the European Community and the League of Arab States

  1. Coordination of the efforts made by the Arab countries to spread the Arabic language and culture in Europe and to find the appropriate form of cooperation among the Arab institutions that operate in this field.
  2. Creation of joint Euro-Arab Cultural Centres in European capitals which will undertake the diffusion of the Arabic language and culture.
  3. Encouragement of European institutions either at University level or other levels that are concerned with the teaching of the Arabic language and the diffusion of Arabic and Islamic culture.
  4. Support of joint projects for cooperation between European and Arab institutions in the field of linguistic research and the teaching of the Arabic language to Europeans.
  5. Necessity of supplying European institutions and universities with Arab teachers specialized in teaching Arabic to Europeans.
  6. In teaching Arabic, emphasis must be laid on different linguistic skills: the teaching of Arabic must be linked with Arab-Islamic culture and contemporary Arab issues.
  7. Necessity of cooperation between European and Arab specialists in order to present an objective picture of Arab-Islamic civilization and contemporary Arab issues to students and to the educated public in Europe which could attract Europeans to Arabic studies. (12)

The following resolutions define the forms of cooperation between Arab and European universities and their respective experts as well as the organization of the funds necessary for this Arabization project in the EEC. The last recommendation considers it necessary to establish a permanent committee of Arab and European experts charged with controlling the pursuance and application of the decisions concerning the diffusion of Arabic and of Arab culture in Europe within the framework of the Euro-Arab Dialogue.

  1. In order to achieve the above, the participants consider it necessary as a result of this seminar to establish a permanent committee of Arab and European experts to follow up on the recommendations for disseminating Arabic and Arab culture in Europe; this be within the framework of the Euro-Arab Dialogue

This framework signified the approval of the foreign ministers of the EC countries and its presidency, in collaboration with the secretary of the League of Arab countries, as well as the other diplomats represented on the General Commission whose work proceeded in camera and went unrecorded.

The Cultural requests from the Arab bloc

Thus, from the 1970s the immigration policy integrated into the economico-political conception of the EAD (1973) did not envisage scattered immigration by individuals wanting to integrate into the host country. It planned a homogeneous implant of foreign collectivities numbering in the millions, into the European Communities. It facilitated the creation of groups who were hostile to their secular European environment, coming not to integrate but with the intention and with the right to impose their own civilization on the host country, while rejecting its secular institutions, considered inferior to those of the shari’a given by Allah. Whereas the EAD claimed for the Arab immigrants the rights conferred by the European legal institutions, the latter despised these institutions since they availed themselves of their own Arab-Islamic culture based on the shari’a. Thus, right from the start of the immigration, integration was excluded.

The Hamburg Symposium (April 11-15, 1983) of the Euro-Arab Dialogue was inaugurated with great pomp by the opening address of Hans-Dietrich Genscher, minister for foreign affairs of the German Federal Republic, followed by a speech from the secretary-general of the Arab League, Chedli Klibi. Genscher strongly recalled Europe’s debt to Islamic civilization and emphasized the importance of the Dialogue in cementing Euro-Arab solidarity. He referred to the beginning of the Dialogue in 1973 and the importance of the political aspect which should not be ignored – in other words, the EEC’s anti-Israel policy in the Middle East as a foundation of the whole economic edifice of Euro-Arab cooperation. He stated:

The Euro-Arab Dialogue would indeed remain incomplete if the political side were to be ignored or not taken seriously.

Both parties to the Dialogue, both partners, should always remind themselves of the joint Memorandum issued in Cairo in 1975, the Charter of the Dialogue. The Memorandum contains the following quote: “The Euro-Arab Dialogue is the outcome of the common political will which strives for the creation of a special relationship between the two groups.” We Europeans spoke out in a clear and convinced manner for a revival of the Euro-Arab Dialogue in the Venice Declaration of June 13 1980. Since then, the various working groups within the Dialogue have become more active and the prospects for the future are now promising. (13)

After two years during which the Dialogue was interrupted following the Israeli-Egyptian peace treaty of 1979, the Venice Declaration totally aligned itself with the Arab political demands relating to Israel. It confirmed the national rights of the Palestinians “which is not simply one of refugees” (art. 6). Article 7 required the participation of PLO in the negotiations. In article 8 “the Nine stress that they will not accept any unilateral initiative designed to change the status of Jerusalem”. In the following article:

The Nine stress the need for Israel to put an end to the territorial occupation which it has maintened since the conflict of 1967, as it has done for part of Sinai. They are deeply convinced that the Israeli settlements constitute a serious obstacle to the peace process in the Middle East. The Nine consider that these settlements, as well as modifications in population and property in the occupied Arab territories, are illegal under international law.

At the Hamburg Symposium in 1983, speakers from both sides presented various reports bearing on the integration of the two civilizations. Participants were divided into three workshops. The first, ‘Prospect for Cultural Exchange’ examined the prospects for future cultural exchanges in all areas. The discussion covered : “exchange agreements between universities, exchanges between students and teachers and others, in the field of creative arts, of audio-visual materials, co-operation in translation, in transmitting Arabic publications to Europe, exhibitions and publication”. The areas of this cultural cooperation were to be defined: “by a general cultural agreement between the Arab League and the European Community. This agreement would provide a framework for more specialized agreements to operate”. A small joint committee within the framework of the Euro-Arab Dialogue would be “set up to monitor the working of the agreement, to examine and accept proposals for future projects and to ensure their execution”

The workshop suggested various schemes which were summarized as follows:

  1. The publication twice yearly of a Euro-Arab journal devoted to specific topics with Arab and European contributors […] In addition a smaller newsletter is recommended which would list cultural developments in the Arab world, noting such things as intellectual debates, theatrical performances, important publications.
  2. To invite Arab professional Unions and their members to conclude agreements with their European counterparts to further cultural co-operation and exchange. The Arab side specifically made the proposal to conclude such an agreement with the Unions of Arab Writers and of Publishers […] Such agreements should also include the encouragement of periodical meeting between European and Arab Unions of Radio and Television and between Associations of Film Producers and Actors to promote joint productions.
  3. The convening of small, specialized or professional seminars on selected themes. Among topics already suggested are the religious dialogue, Arab historiography, book publishing and librarianship, investigation of the content of text books at all levels in the history of the two regions.

The second workshop focused on the: ‘Social and Cultural Consequences of the Migration of Workers and Intellectuals’. The participants noted that, as Arab immigration turned into permanent residence, carrying out the Damascus Declaration (December 1978), was henceforth inadequate for the situation in 1983. It was particularly necessary to supplement the article stipulating the rights of Arab migrants and the members of their families to: “enjoy equality of treatment as to living and working conditions, wages and economic rights, rights of association and the exercise of basic public freedoms”. It was felt that not enough was done to implement the tenets of this declaration. (art.3) The participants recommended the creation of a permanent institution to improve knowledge of migration and to formulate policies and programs “with the purpose of ensuring the highest level of welfare for the migrants themselves and maximum benefit for both countries of origin and employment with a spirit of genuine cooperation among the countries involved in the Dialogue.” (art. 4)

Article 5 contained several proposals:

 It is recommended that the social integration of migrant workers and their families in the host countries be facilitated by:

  1. a) giving equal rights in access to the housing market, the labour market and the educational system and to vocational and professional training,
  2. b) making the general public more aware of the cultural background of migrants, e.g. by promoting cultural activities of the immigrant communities,
  3. c) supplying adequate information on the culture of the migrant communities in the school curricula,
  4. d) creating special schooling and training facilities for those who have functional relationships with the immigrants (e.g. civil servants, medical staff, members of the police force, teachers, social workers etc.),
  5. e) giving migrants access to the mass media in order to ensure that migrants be in a position to receive regular information in their own language about their own culture as well as about the conditions of life in the host country,
  6. f) broadening cooperation between immigrant groups and the national population and taking measures to increase the participation of immigrant groups in trade union activities and explore their participation in political life.
  7. It is recommended that the Arab countries of origin strengthen their cultural support to Arab migrants in Europe.

The third workshop examined cooperation in the field of Arabic and European language teaching. This group stressed that this question was of the greatest importance because it formed a basic principle of the Euro-Arab Dialogue. The decisions of the Venice Seminar (1977) were supplemented by those of the Hamburg Seminar (1983). They repeated the necessity for Arab language and culture to be diffused in Europe by the Arab countries and their specific institutions as well as by Euro-Arab cultural centers created in European capitals. It was necessary to teach Arabic to the immigrant children, and to ensure the publication and distribution of Arabic newspapers and books, intended for a cultured European public in order to give an objective and attractive picture of Islamic civilization. A program for carrying out all the activities examined was planned over a five-year period.

Reading the proceedings of the numerous symposia, one is struck by the difference in the speeches of the two parties. The Europeans employ cautious language, admiring and flattering Islam. Excessive tribute is paid to the great Islamic civilization from which the civilization of Europe has drawn inspiration. (e.g. Hans-Dietrich Genscher, German Foreign Minister, Hamburg Symposium, 1983). Platitudinous, humble excuses are formulated for colonization and Europe’s anti-Arab prejudices. The Arab faction, on the contrary, adopts the tone of a schoolmaster wielding the stick, confident of the tolerance, humanism and greatness of his civilization, the spiritual and scientific fountainhead of Europe. Reproaches are not absent, particularly concerning the inadequacy of European measures against Israel, a central and essential point on which the whole infrastructure of the Dialogue is built. The Arab speeches hammer out in venomous terms Europe’s obligation to deal severely with Israel (Zionist usurpation, the hand of Zionism seeking to kill the Arabs in every country, policy of institutionalized racism. Resolution 3379 equating Zionism with Racism had been hammered through the UN General Assembly in 1975). They remind them of the duty to recognize and teach the greatness and superiority of Islamic civilization and Islam at university level. Preachers describe the Islamic origin of Judaism, Christianity and all mankind, born as Muslims in its original purity.

The Alignment of the EEC

The EEC had fully aligned itself with the directives concerning Israel formulated by the Arab League as early as 1970, as can be seen in the Declaration of the Nine on the Middle East (London, 29 June 1977). Some of these declarations repeat word for word those issued by the 2nd Islamic Conference of Lahore (1974) and are not to be found in the original English UN Security Council Resolution 242.Thus, article 2 of the Declaration by the Council of Europe (London, 29 June 1977) specifies 1) the inadmissibility of the acquisition of land by force, 2) the necessity for Israel to end the territorial occupation it has maintained since the 1967 conflict, while resolution 242 mentions withdrawal “from territories”; 3) the obligation for Israel – in the establishment of a just and lasting peace – to take account of the “legitimate rights” of the Palestinians, which is not to be found in the valid UNSC Resolution 242.

Article 3 gives the Arab position:

The Nine are convinced that a solution of the Middle East conflict will only be possible if the legitimate right of the Palestinian people to give effective expression to its national identity is translated into a reality which will take account of the need of a homeland for the Palestinian people. They consider that the representatives of the parties to the conflict, including the Palestinian people, must participate in the negotiations in an appropriate manner, to be defined in consultation among all the interested parties. In the framework of an overall settlement, Israel must be prepared to recognise the legitimate rights of the Palestinian people. Likewise the Arab party must be prepared to recognise Israel’s right to live in peace within secure and recognised frontiers. (14)

This declaration had been prepared by the General Commission of the EAD meeting in Tunis (February 10-12, 1977). Concerning Jerusalem, the final communiqué published at the end of its second session stated: “the European side … has also marked its opposition to any initiative tending to alter the status of Jerusalem unilaterally. The Arab side said how much it appreciated this attitude.”

On September 26, 1977, Henri Simonet, Belgian Foreign Minister and president of the council of the EEC stated at the UN General Assembly in New York that the Middle East conflict had to be based on security resolutions 242 (1967) and 338 (1973), that is to say on the Franco-Arab interpretation of them, in the French version, as adopted by the EEC after the Arab oil embargo in 1973, as well as on the following fundamental principles: first, acquisition of territory by force is unacceptable; secondly, Israel must end its occupation of territories it has held since the 1967 war; thirdly, the sovereignty, territorial integrity and the independence of each State in the region must be respected, as well of [sic] the right of each State of the region to live in peace within secure and recognized borders; fourthly, the establishment of a just and lasting peace must take account of the legitimate rights of the Palestinians.

  1. The nine countries also continue to believe that a solution to the conflict will not be possible unless the legitimate right of the Palestinian people to give effective expression to its national identity becomes a reality. This would take into account, of course, the need for a homeland for the Palestinian people.
  2. It remains the firm view of the nine countries that all of these elements constitute an indivisible whole.
  3. One should recall here that the nine countries have publicly stated their concern over the illegal measures taken recently by the Government of Israel in the occupied territories …
  4. Looking forward to peace negotiations, the nine countries reaffirm the concern they have expressed on many occasion that the parties of the conflict should refrain from making any statements or adopting any measures, administrative, legal, military or otherwise, which would constitute an obstacle to the process of peace. (15)

The second Islamic Conference, organized by the recently created Organization of the Islamic Conference (OIC) was held in Lahore on February 24, 1974 and its Declaration clearly manifested their policy toward Israel:

  1. The Arab cause is the cause of all countries which oppose aggression and will not suffer the use of force to be rewarded by territory or any other gains;
  2. Full and effective support should be given to the Arab countries to recover, by all means available, all their occupied lands;
  3. The restitution of the full national rights of the Palestinian peoples [sic] in their homeland is the essential and fundamental condition for a solution to the Middle East problem and the establishment of lasting peace on the basis of justice;
  4. The constructive efforts undertaken by the Christian Churches, all over the world and in the Arab countries, notably in Lebanon, Egypt, Jordan and Syria to explain the Palestinian question to the international public opinion and to the world religious conferences and to solicit their support for Arab sovereignty over Jerusalem and other holy places in Palestine should be appreciated;
  5. Any measure taken by Israel to change the character of the occupied Arab territories and in particular of the Holy City of Jerusalem is a flagrant violation of international law and is repugnant to the feelings of the Member-States of the Islamic Conference and of the Islamic world in general. (16)

The Culture of Eurabia

Whereas the EU offers Israel nothing but verbiage which can only be meaningless for the civilizations of the jihad (“just and lasting peace”, “secure and recognized frontiers”), it demands concrete actions from Israel: 1) cession of territories; 2) redivision of Jerusalem; 3) the creation of a second Palestine, another Arab-Muslim state on the historical Jewish homeland Islamized by jihad; 4) the obligation on Israel to negotiate with Arafat, (Venice Declaration, 1980), acknowledged as a terrorist leader up to the time of the Oslo accords (1994) and converted back to the jihad during the process which followed; 5) peace conditioned by a global settlement including with Syria; 6) Israel’s obligation to admit its responsibility and solve the problem of the Arab refugees from Palestine, although this tragedy was provoked by their alliance with five Arab armies, invading with the aim of destroying the fledgling State of Israel, and their subsequent defeats.

The EU complied with the demands of the Arab League and recognized Arafat as its sole representative. It thus conferred respectability and legitimacy on the godfather of international terrorism, the unrelenting enemy of the State of Israel, of the Lebanese Christians, and one of the modern symbols of jihad against the infidels.

The EU demanded that Israel return to the frontiers of the 1949 armistice, pretending to believe that such frontiers were viable. Its refusal to recognize Israel’s right to its ancient capital, Jerusalem, implies a delegitimization and denial of the history of the Jewish people to which Europe by virtue of its Christian origins is still a witness par excellence. The EU adopted the pathological Arab obsession that conferred an evil centrality on Israel, eclipsing all others world events. On the level of Euro-Arab international policy, it explained, justified and morally legitimized a pathology of Arab hate, which imposed the destruction of Israel as an absolute and universal priority. By enlisting in the Arab-Islamic jihad against Israel, under labels such as “peace and justice for the Palestinians”, Europe was rejecting all its values and even the foundation of its civilization. Thus, it abandoned the Christians in Lebanon to the massacres of the Palestinians, and the Christians of the Islamic world to the persecutions under dhimmitude. The liberation of Israel, a minuscule portion of the lands colonized by the Arabs in Asia, Africa and Europe by war and force, provoked a paranoia that masked the sufferings of millions of victims of modern jihad.

At the level of European demography, the EEC’s immigration policy encouraged the Islamist desire to Islamize Europe, and provides it with very solid bases. The real figures of this immigration were concealed from the public as if this constituted a state secret. The export of the immigrants’ culture to the host countries, an exorbitant and unique favor in the history of immigration, was integrated in the agreements between the EEC and the Arab League as an inalienable right of the immigrants. It created an obstacle to their integration, all the more so as the bonds with the countries of emigration were encouraged and supported to the utmost by cultural, political and economic agreements, and by collaboration and exchanges at the university and international level. The EAD’s European agents utilized anti-racism to eliminate any discussion of the insecurity, criminality and religious fanaticism of certain sections of a population, who generally refused to integrate.

EAD ’s cultural infrastructure made it possible to import into Europe the traditional cultural baggage of anti-Christian and anti-Jewish prejudices against the West and Israel, conceived by the peoples and the civilization of jihad. It was in these years that the theme of jihad was resurrected in order to nurture terrorist activism. Immigrant groups became the vehicles to diffuse it in Europe, with the silent collusion of academics, politicians and the whole of the EAD’s cultural apparatus. The discrediting of ‘infidel’ Judeo-Christian culture was expressed by the affirmation of the superiority of Islamic civilization from which, so they said, European sages had humbly drawn inspiration. Neither the centers of knowledge scattered over Latin and Byzantine Europe during the Middle Ages, nor in the following centuries the creation of printing, essential for the diffusion of knowledge, nor the scientific discoveries of Europe and their technological applications, nor the innovating evolution of its legal and political institutions, nor its artistic and cultural wealth can undermine the axiom of its inferiority to the Arabs, creators of science and the arts. This absurdity, obsequiously repeated by European ministers, actually constitutes a religious principle of the Arab world which acknowledges no superiority on the part of the infidel civilizations. The very term ‘Judeo-Christian’ civilization is rejected by fundamentalist Muslims (17) who only admire one single civilization, the Islamic civilization, which embraces, through Abraham – a Muslim prophet – Jews and Christians. That is why so many ministers no longer talk about Judeo-Christian civilization but about Abrahamic civilization. Moreover, Judaism and Israel polarize such hatred that Europe gladly rallied to Abrahamism, that is the Muslim conception of the Islamic origin of Judaism and Christianity, this latter not being connected with Judaism but with Islam, the first religion of mankind and antedating the other two monotheistic religions in the Islamic viewpoint.

The wave of Arab cultural and religious fanaticism which swept Europe was integrated into the functionality of the EAD. The EU thus repudiated its Jewish roots and rejected Christianity because it was born of them. The ablation of the historical memory of Europe in order to graft on to it the Arab-Islamic concept of history today makes possible the diffusion of a sort of negationist and guilt-inducing pseudo-culture, in which veneration for the Andalusian myth replaces knowledge of the devastating Muslim invasions. The obsequiousness of university circles, subject to a political power entirely dominated by economic materialism, recalls the worst periods of the decline of intelligence. The censorship of thought, the suppression of intellectual freedom, imported from Muslim countries in the package of a culture of hatred of Israel, today leads to the exclusion and boycott of Israeli academics by their colleagues in Europe.

Arab antisemitism/anti-Zionism was re-implanted in Europe in the conceptual framework set up by the Euro-Arab Dialogue and its planning of ‘a movement of opinion’ to support Arab anti-Israeli policy. Arab directives, backed by the Euro-Arab Parliamentary Association – the powerful Arab/Muslim lobby – were transmitted to the highest political, university and religious authorities engaged in the EAD, and were given practical application in the media, television, radio, the press, the universities, the workers’ unions and a variety of political and cultural activities. The major themes of this Eurabian antisemite culture were borrowed from the Arab world where they had already been diffused since the 1950s. Their main arguments are: 1) Holocaust denial; 2) Jews exploited the Shoah as a means to blackmail Europe for Israel’s benefit; 3) De-legitimization of the Jewish state; 4) The transfer of Israel’s history to the Palestinian Arabs; 5) The cult of the destruction of Israel as a source of the redemption of the world; 6) Cultural boycott of Israel and its isolation on the international scene – a policy which recreated the status of the Jew in Christianity, and of the dhimmi in Islam; 7) Culpabilisation of Europe for the resurgence of Israel; 8) Israel is a threat to world peace, which correctly interpreted means that Israel resists the Euro-Arab policy to eliminate it; 9) Anti-Americanism.

The all-encompassing Euro-Arab symbiosis produced by the EAD led the EU to tolerate the Palestinian terrorists on its own territory in the 1970s, and even later to justify and passively legitimize their terror against Israel, and later to actually finance the Palestine terrorist infrastructure and the inculcation of hatred in its schools. The churches and their media network were the most active agents of the moralization of Palestinian terrorism. Internal opposition was swept away by the political pressures and the funds of the religious organs involved in the EAD.

It was during 2000-2002 that Eurabia has perhaps erased Europe. In Eurabia the Islamic conception of history has supplanted the memory of the institution of the jihad and of dhimmitude which governed the relationship of the Muslims with non-Muslims from the seventh century to the present day. The culture of Eurabia today displays a combination of anti-Jewish, anti-Christian and anti-American animosity. The politicians and intellectuals who have brought it into the world with forceps have denied the wave of defamation and attacks against the Jews in Europe, a wave which they themselves have made possible and have irresponsibly stirred up for thirty years. They neglect the reality of antisemitism in the same way as they have neglected the attacks on the fundamental rights of European citizens, allowing ideological currents generating delinquency and terrorism to be established with impunity in their countries. The silence and negligence of the French authorities in the face of the wave of antisemitic aggression in the period 2000-2002 is only the tip of the iceberg of a global policy. Throughout the territory of Eurabia covered by the EAD agreements, the same uniformity of thought is to be found – the same taboos and censorship at universities and in the apparatus of information, the same historical and political counter-truths built into a dogma, the same tactics of obstructing publishers and bookshops, the same demonology of the Jews and Israel, the same attribution of guilt to Jews and Christians in regard to the Arab-Islamic world. When future generations will reflect in astonishment on the genesis of Eurabia, they will find that this mutation of European socio-political culture was driven by economic self-interest, financial greed, Judeophobic anti-Zionism, and anti-Americanism. The EAD, which bound the European economy to an Arab political strategy, planning the destruction of Israel, was the Trojan horse of that European drift toward the Arab-Islamic sphere of influence. The sorcerer’s apprentices have opened the way to a disquieting future.

NOTES

  1. Saleh A. Al-Mani, The Euro-Arab Dialogue. A Study in Associative Diplomacy, ed. Salah Al-Shaikhly, Frances Pinter (Publishers), London, 1983, p.48. See also Jacques Bourrinet (ed.), Le Dialogue Euro-Arabe, Economica, Paris 1979.
  2. Documents d’Actualité Internationale , Ministère des Affaires étrangères, Paris (henceforth DAI), 1974, n°l, pp.2-3.
  3. See Al-Mani, pp 70-73; 111; Bourrinet, p. 4. Analysing the formula of the EAD, John Waterbury writes: “The eventual bargaining took place in the form of a trade-off: the Arab political demands against European economic objectives”, ibid., p.25; Françoise de la Serre, ‘Conflit du Proche-Orient et Dialogue Euro-Arabe: La Position de l’Europe des Neuf’, in ibid.
  4. Report on Islamic Summit 1974, Pakistan. Lahore, February 22-24, 1974, p. 228.
  5. DAI 1974, Conférence des Chefs d’Etat Arabes (Alger, 26-29 novembre 1973) Déclaration de politique Générale (Alger, 28 Novembre 1973) (Source: Conférence des Chefs d’Etat arabes, in French, n°7, pp.122-26).
  6. As this issue of DAI has disappeared from the collection at the Bibliothèque du Palais des Nations at Geneva, this reference is taken from Bourrinet, pp.331-35: DAI 1977, n° 16-17, pp. 315-19.
  7. Al-Mani, pp.70-73.
  8. Bat Ye’or, Islam and Dhimmitude. Where Civilizations Collide, Cranbury, NJ, Fairleigh Dickinson University Press 2002, p. 253.
  9. Bourrinet, pp. 296-301.
  10. Edmond Völker, ed., Euro-Arab Cooperation. Europa Instituut, University of Amsterdam, Amsterdam, A.W. Sijthoff, Leyden, 1976, p. 179.
  11. Euro-Arab Dialogue. The Relations between the two cultures. Acts of the Hamburg symposium April 11th to l5th 1983. English version ed. by Derek Hopwood, Croom Helm, London, 1983; see the recommendations of the Venice Seminar, pp. 317-23.
  12. Ibid., pp. 320-21.
  13. Ibid., p.19.
  14. DAI, September 2, 1977, n° 35, Council of Europe (London, 29-30 June 1977) n°137. Déclaration des Neuf sur le Moyen-Orient (Londres 29 Juin 1977) (Source: Ministère des Affaires étrangères, Paris) Textes officiels pp 666-67, translated by the author.
  15. Official Records of the General Assembly.Thirty-second Session. Plenary Meetings, vol.1, Sept.20 – Oct.13, 1977, United Nations, New York,1978.
  16. Report on Islamic Summit 1974, Pakistan. Lahore, February 22-24, 1974, Karachi, pp.222-23.
  17. The rejection of the term ‘Judeo-Christianity’ has often been expressed orally; Bruno Etienne mentions this rejection, in La France et l’islam, Paris, 1989, Hachette, p.l89.

Links discrimineert!

We weten al langer dat links méér discrimineert dan rechts maar deze slaat alles:

Vanaf volgende week wordt een deel van het zwembad Mercator en Sportplaza in Amsterdam vrouw- en –als het even kan- kaffirvrij gemaakt teneinde moslimmannen ongestoord en gesubsidieerd te kunnen laten zwemmen. Een initiatief dat vanzelfsprekend wordt toegejuicht door de plaatselijke PvdA.

Het project ‘Gouden Mannen’ wil Marokkaanse en Turkse mannen van vijftig jaar en ouder uit hun isolement halen. Dit wil men doen door ze geïsoleerd te laten zwemmen. Voor de helft van de prijs die elke andere bezoeker betaalt, de rest wordt bijgelegd uit belastingcentjes. Het is de bedoeling om het zwembad een keer in de week af te sluiten voor vrouwelijke mensendieren.

De Wet Gelijke Behandeling wordt hierbij doodleuk genegeerd. De VVD heeft inmiddels grote vraagtekens bij gezet bij dit idee dat niet misstaan had in het Zuid-Afrika van de jaren tachtig. Deze partij heeft vooral moeite met het feit dat er overheidsgeld wordt gestoken in een project dat in de basis discriminerend is. Raadslid Rik Torn wil dat het stadbestuur zo snel mogelijk een einde maakt aan deze poppenkast.

Poetin over moslims

Op 4 augustus 2013, Sprak de Russische president Vladimir Poetin de Doema (Russisch parlement) toe, en gaf een toespraak over de spanningen met minderheden in Rusland:

“In Rusland leven we als Russen. Elke minderheid, van overal, die wil leven in Rusland, om te werken en te eten in Rusland, spreekt Russisch, en moet de Russische wetten respecteren.

Als ze de sharia prefereren, en het leven leiden van een moslim, dan adviseren wij hen om naar die plaatsen te gaan waar dat is de staatswet. Rusland heeft geen islamitische minderheden nodig. Minderheden hebben Rusland nodig, en we zullen ze geen speciale privileges toekennen, of proberen om onze wetten te veranderen om beter bij hun wensen te passen.

Het maakt niet uit hoe hard ze roepen ‘discriminatie’. We tolereren geen gebrek aan respect voor onze Russische cultuur. We kunnen beter leren van de zelfmoord van Amerika, Engeland, Nederland en Frankrijk, als we willen overleven als natie. De moslims zijn die landen aan het overnemen en dat zal ze niet lukken met Rusland.

De Russische gewoontes en tradities zijn niet compatibel met het gebrek aan cultuur of de primitieve manier van sharia wetgeving en moslims. Wanneer dit eervolle wetgevend lichaam denkt aan het maken van nieuwe wetten, moet het in gedachten hebben de Russische nationale belangen voorop te stellen, in acht nemend dat de moslims minderheden zijn en geen Russen.”

De politici in de Doema gaf Poetin een vijf minuten durende staande ovatie.